Les Murray


(uit: 'De planken kathedraal', samenstelling en vertaling Maarten Elzinga, uitgeverij De Harmonie, Amsterdam)






Door de houtzagersdorpen

1
In het hoge, koele land,
afgedaald uit de wolken,
over een deinende weg
naar een verre vallei
rij je, zonder haast. Je voorruit klieft het woud,
wiegend en fonkelend, en op open plekken hurkt
gebalde middagschittering…
Dan kom je ze tegen,
de houtzagersdorpen, kale gehuchten van planken,
met een winkel misschien,
misschien ook een brug, verderop
en een zijdelings beekje
vol levendige kiezelstenen.

2
De zagerijen hebben een ijzeren dak en geen muren:
je kijkt er in het voorbijgaan dwars doorheen,
ziet lenige silhouetten,

het zwenken van een draailier,
wazig trillende bladen die
door een boomstam op een trolley glijden,
tot de stam uiteenzakt
in een waaier van planken en latten.

De mannen kijken als je voorbij komt:
wanneer je stopt en ze de weg vraagt,
wenden opgeschoten jongens zich af–
het zijn de ouderen die
naar buiten komen in blauwe singlets
en je met zachte stem te woord staan.

Naast elke zagerij kringelt rook uit een heuvel
van as en zaagsel.

3
Je glijdt door het dorp,
je spatborden nat van de wolken.
De huizen dragen er veranda's van schuwheid,
de hele dag, in hun gekalenderde keukens,
luisteren vrouwen naar auto's op de weg,
naar kinderen, verdwaald in de bush,
of een schreeuw uit de zagerij, een voetstap–
er gebeurt niets.

De half gehoorde radio zingt
zijn deuntjes uit Nashville.

Misschien dat een huisvrouw die haar stoep staat te vegen,
of een plompe jonge echtgenote die bij de watertank
een ijzeren emmer vult, zicht plotseling omdraait
en verwonderd naar de bergen tuurt,
of daar soms een stad is.

4
De avonden zijn erg stil. Rondom
staat het woud.
Als de nacht neerdaalt kijken de huizen naar elkaar:
een licht dat uit gaat achter een raam heeft hier betekenis.

Je snelt weg door het hoogland,
blinkt schel door de dorpen
en verdwijnt in het woud, gloeiend op verre hellingen.

Op zomeravonden
zingen de aardkrekels, en zwijgen.
In het winterse duister
ruisen golfplaten daken onder de regen,
afvoerpijpen schuren in de wind, gulpend en klokkend.
Mannen zitten na de thee
bij de kachel terwijl hun vrouwen praten,
rollen een afgebrande lucifer tussen hun vingers
en denken aan de toekomst.





Oma's verhaal

't Gebeurt je maar een paar keer in je leven
dat je van die vreemde woorden zegt. Of ze zeggen zichzelf
uit jouw mond, voor je op je tong kunt bijten.
Daar zijn ze, als een droom. Je weet niet zeker
of jij ze gezegd hebt, maar je ziet hoe ze de ander treffen
als een steen het oppervlak van een vijver. Weinig gespetter
maar ze zakken rechtstreeks naar de bodem. Naar de ziel.
Sorry zeggen, of dat je het zo niet meende, heeft geen zin.

Ik was nooit erg gesteld op Ted Quarrie. Deels vanwege de manier
waarop hij vrouwen bejegende. Verder, en dat is hetzelfde,
hoe hij ervoor zorgde dat die arm Annie zich net zo gedroeg
als hij, lallend en slempend met Harolds whiskyvrienden
tot ze omvielen. Alleen al hoe ze dat spul dronken:
Cheers, jongens! en het als levertraan in hun keelgat goten;
ze knepen er nog net niet hen neus bij dicht. Zo ging het ook op de jaarmarkt
toen Ted naar me toe sloop en me kneep. Hard, zodat het pijn deed

en ik gaf hem een klap. Geen oorvijg. Ik balde mijn vuist
en sloeg hem neer, zomaar midden op de markt.
Ik had toevallig wat vaker met fornuizen, karntonnen
en boomstammen gesjouwd dan hij. Hij lag minutenlang
buiten westen. Toen hij bijkwam schold hij me uit. Noemde me
een ordinaire sloerie. Toen zei ik het, dat andere.
Wat ik gezegd heb? Doet er niet toe. Ik snoerde hem de mond.
Zoiets opzettelijk te doen –uit gewoonte– zou een zonde zijn.

Sindsdien haatte hij me. En scharrelde altijd opzichtig
in de buurt van ons huis rond, zodat ik het merkte. Maar ik ben koppig
en gaf geen krimp. In die dagen kon je nog revolvers kopen
en hij had er een. Maar het duurde nog jaren voordat hij op een zondag–
zij zaten op de veranda te drinken– naar ons toe kroop,
en zich door het raam boog van de kamer waar ik ziek op bed lag.
Hij sloeg zijn jas open, pakte dat dievenpistool en zei
Kijk eens, Emily? Die is voor jou. De stakker. Ik schoot haast in de lach.

Dat had me natuurlijk fataal kunnen zijn. Dus moest ik een angstig
gezicht trekken, terwijl ik echt ziek was en het hele gedoe
spuugzat. Hij droop af, maar mijn jongste had alles gehoord
en ging hem achterna. Hij was pas zeventien, en Ted
een volwassen kerel. Maar hij dwong hem die revolver
af te geven, waar iedereen bij was. Harold zweeg, zoals altijd.
De jongens klommen naar de vliering en dropten dat ding achter de wand
van deze keuken. Daar ligt het nog steeds te roesten, denk ik.