Webdagboek van Jan de Korte


Tijdens mijn predikantschap hield ik een webdagboek bij op de site van de gemeente waarin ik werkte. Nu ik met emeritaat ben zet ik dat webdagboek hier voort op mijn eigen site. Reacties zijn altijd welkom.



4 augustus 2020 -- Erbarm dich mein

Tijdens een vakantie in Limburg liepen we de Basiliek van Sint Servaas in. In het kader van een plaatselijke traditie was daar een misviering aan de gang. We gingen even zitten en hoorden het Kyrie zingen. Het raakte me daar als de zucht van de mensheid. We hebben de mis verder niet uitgezeten, ik vind het al gauw bombastisch worden, alsof de hele viering gewicht moet geven aan mensen, zij die uitvoeren, zij die organiseren, zij die toehoren. Ook gewicht moet geven aan de kerk zoals die bestaat in alle pracht en praal. Maar dat ene Kyrie rechtvaardigde op dat moment alles, het herinnerde aan de kwetsbaarheid van het bestaan en aan de mogelijkheid daarin op te staan, te roepen om erbarmen. Een Kyrie waarnaar ik altijd weer terugkeer is het ‘Erbarm’ dich mein, o Herre Gott’ van Johann Sebastian Bach. Talloze organisten spelen het, mijn voorkeur is nog steeds de uitvoering van Marie Claire Alain, die ik in mijn studentenkamer al beluisterde. Een protestants Kyrie, sober, uit het hart, bevindelijk, wetend van de kwetsbaarheid en de open vraag.


20 juli 2020 -- Tuin

Overdag in de tuin werken, ‘s avonds lezen in ‘Tuinieren voor de geest’. Dat was een aantal weken voor mij de perfecte combinatie. Praktijk en beschouwing, iets doen wat ik heel prettig vind en door psychiater en tuinliefhebber Sue Stuart-Smith uitgelegd krijgen waarom het zo prettig is: ‘Hoe we gelukkiger worden van zaaien, wieden en snoeien’. Een boeiend boek over tal van mensen aan, op of over de rand van het bestaan, voor wie tuinieren bijzonder heilzaam bleek. Op 17 mei schreef ik over het lied van Elly Nieman, ‘De zeven tuinen’. Met een beetje fantasie zijn al die zeven tuinen wel te koppelen aan een bijbelse tuin, maar grofweg zie ik er vooral drie. De tuin van het leven in Genesis, die weer terugkomt in het laatste bijbelboek, de tuin van de liefde in het Hooglied en de tuin van de dood in het evangelie van Johannes, Getsemane. Vooral de tuin van de liefde staat dicht bij de tuinen die Sue Stuart-Smith beschrijft. De tuin waarin mensen tot leven komen in een verlangen en een ontmoeting, in een zicht op zin en vervulling, in een uitzicht op vrucht dragen en nieuw leven. En in een verzoening met kwetsbaarheid en afhankelijkheid, waarin te leven is met elkaar. In dat licht is de vergissing van Maria in de graftuin een zeer betekenisvolle. In zijn eerste verschijning wordt Jezus gezien als de tuinman. De mens die van de woeste aarde een bewoonbare plaats maakt. En dat is te zuinig gezegd, hij maakt duidelijk dat de liefde het licht voor de wereld is. De hof waarin hij Maria ontmoet is de tuin van de liefde, de tuin van het Hooglied.


7 juli 2020 -- Hobbema

In zijn boek ‘Stedevaart’ bezoekt Jan Brokken een aantal steden, die hij verbindt met een kunstenaar. Steden als Bologna, Bilbao, Düsseldorf en Amsterdam. Ik was zeer verrast toen ik in het rijtje steden ook Middelharnis zag, de plaats waar ik ben opgegroeid. Brokken kwam er vanwege Hobbema, in het bijzonder vanwege zijn schilderij ‘Het laantje van Middelharnis’. Ooit geschilderd in opdracht van een bestuurder uit de buurt, na allerlei omzwervingen terechtgekomen in het National Gallery in Londen. Brokken was al eerder in Middelharnis geweest, het is ook een persoonlijk verhaal van hoe hij daar als 11-jarige rondliep, onderweg naar Ouddorp. Dat hij, met zijn gedachte aanstaande schoonzus, de tram nam naar Ouddorp klopt niet, die reed na de ramp van ‘53 nog maar een paar jaar, tot 1956, maar het klinkt mooi in het verhaal. Ook zijn verhaal over het schilderij en de schilder is mooi, ik noem het hier als aanbeveling voor zijn boeiende boek en om het schilderij weer eens te kunnen laten zien. Het blijft een hoogtepunt in de Nederlandse landschapschilderkunst.

 

 


28 juni 2020 -- Eenling

Deze keer is het de tuin die me bij Ida Gerhardt brengt. De acanthus staat in bloei. Een jaar of wat terug een paar stekjes gekregen, nu een aantal mooie planten, waarvan er een wel heel erg de lucht ingegaan is, ‘naar het licht’. Zo staat het in het gedicht over deze plant, aangetroffen in de bergen. Er is al vaker opgemerkt dat dit gedicht ook gaat over de dichter zelf, ze zag zichzelf als eenling. Soms gezocht, soms tegen wil en dank, miskend in haar dichterschap en haar strenge en sobere leefwijze. De eerste zin getuigt niet van een vrolijke kijk op de wereld waarin we leven, toch is er onmiddellijk een tegenbeeld, ‘een onverwacht gewas’. Prachtig hoe in deze twee dichtregels het hele leven en werk van deze dichter getekend is. Elk woord is vol van betekenis. Proef het woord ‘gewas’. Alsof de schepping herhaald wordt, zo komt dus het leven op je pad, in de kaalheid en eenzaamheid, als iets dat groeit, iets volkomen nieuws. Het gedicht gaat verder in de monumentale stijl van Gerhardt, die doet denken aan de taal van Johannes in Openbaring, die zijn visioenen steeds inleidt met: ‘En ik zag...’. In de beschrijving van de plant zie ik een uitleg van de eerste twee regels van het gedicht. Het nieuwe leven kan ons zomaar overvallen, midden in de woestijn van ons alledaagse dwalen. Je moet wel eenling durven zijn, geen genoegen nemen met geruststellende dooddoeners.

De eenling

Dwalend over het barre rotsenzadel
stootte ik op een onverwacht gewas.
En ik zag dat het een akanthus was.
Zijn eigenmachtige eeuwenoude adel
had zich tot in de nerf gehandhaafd. Een
die stug de ingeschapen wet voltrok:
te breken naar het licht dwars door de steen.
Acht schachten stoelden op zijn wortelstok.
Een warse plant, met zon en maan alleen.


15 juni 2020 -- Eekhoorn

Vanuit het raam van mijn werkkamer zie ik soms een eekhoorn in de bomen. Heel soms kom ik hem tegen in de tuin. Het meest merk ik zijn aanwezigheid doordat hij mijn wandelschoen, altijd de rechter, gebruikt als voorraadkast. Een eikel waar al aan geknabbeld is of een hele voor de dag van morgen. In gedachten zie ik hem rondscharrelen onder het afdakje achter ons huis. Misschien wel samen met de mier. In de dierenverhalen van Toon Tellegen is dat heel vaak zijn gesprekspartner en metgezel. Hieronder de eerste zinnen van een verhaal waarin de mier ook weer op het toneel komt, nadat de eekhoorn een heel gesprek met zichzelf heeft gevoerd. Veel van de verhalen van Tellegen beginnen met een gedachte, een verlangen of een gevoel van een dier. De innerlijke monologen die dan volgen zijn vaak heel herkenbaar en tegelijk altijd een beetje afwijkend, zoals in dit citaat over besluiteloosheid.

‘’s Ochtends als hij wakker werd wist de eekhoorn soms niet goed wat hij denken moest van zichzelf.
Hij rekte zich dan uit en vroeg zich af: zou ik nu besluiteloos zijn? Dan dacht hij enige tijd na over de besluiteloosheid. Hij vond het een mooi woord, maar hij kon er nooit goed achterkomen wat het precies betekende. Vervolgens zei hij tegen zichzelf: ‘Eekhoorn, doe nu óf gewoon óf ongewoon óf iets nieuws óf niets óf je kleren aan.’


5 juni 2020 – Het eerste horen

In de pinksterpreek van een vriend stelt hij drie vragen die me stil zetten. ‘Wat is jouw eerste horen – waar kwam de verwarring – wie bracht de Trooster in je leven?’ Hij stelde ze naar aanleiding van de verwarring onder de mensen die getuige waren van het komen van de Geest. Mijn eerste horen. Vaak heb ik gedacht dat ik dat jammer genoeg niet meer terug kan halen. De bijbelverhalen werden met de paplepel ingegoten en zo ver gaat mijn geheugen niet. Tijdens deze pinksterpreek kwam een ander moment boven, waar ik me wel iets van herinner. Als tiener maakte ik een inleiding over een tekst, iets met Romeinen en Luther, iets over genade en vrijheid. Het was de eerste keer dat ik bewust merkte dat een bijbelwoord iets me je kan doen. Mijn eerste horen. De verwarring kwam en komt tot op de huidige dag daar waar ik merk dat het effect dat ik voelde zo weer weg kan zijn. In vrijheid gezet worden en zo weer bezig zijn met jezelf te bewijzen, waar te maken, zeker te stellen. Bij de derde vraag –wie bracht de Trooster, de Geest in je leven– denk ik aan de colleges dogmatiek die ik in Utrecht liep. Op mijn werktafel liggen de ingebonden blaadjes met aantekeningen. De eerste bladzijden zijn weg, wat ik nog heb begint midden in een college, maar alleen om de eerste zinnen al zal ik ze altijd bewaren. ‘Het wezen van de mens is dat hij aangelegd is op het ontvangen, het geschenk. Dé prestatie is al geleverd, alle verdere prestaties komen alleen in beweging door de ontvangst.’ En altijd weer komt de Geest in mijn leven, kom ik opnieuw tot leven, krijgt mijn leven kleur, door het geschenk, door het ontvangen. Het mooie van de drie vragen van mijn vriend is dat ze me niet vastzetten op een nostalgische herinnering, maar brengen bij een eerste horen dat er steeds weer opnieuw is, als bron van leven.


27 mei 2020 -- Arie J. Keijzer

‘De wortels van alle muziek’, het was het thema van Podium Witteman afgelopen zondag. Ik dacht daarbij aan Arie J. Keijzer. Mijn eerste ervaring van muziek was in de kerk. Het zingen uiteraard, maar vooral het orgelspel. En dat orgelspel werd in mijn kinderjaren in de kerk waar ik zat verzorgd door Arie J. Keijzer. Mijn tante, het culturele geweten van de familie, sprak zijn naam altijd met respect uit, maar ik wist toen niet dat ik van zondag tot zondag onder het gehoor zat van een toporganist. In die jaren, toen ik een jaar of tien was, won hij de belangrijkste improvisatieconcoursen van Nederland en al snel gaf hij les op het conservatorium in Rotterdam. Later werd hij in die stad organist van De Doelen. Als we naar de Mattheüs Passion gingen zagen we met trots ‘onze’ Arie Keijzer achter het orgel. Bij zijn orgelspel liggen dus mijn muzikale wortels. Via de orgelmuziek ben ik thuis geraakt in de klassieke muziek en ook nu nog luister ik graag naar orgelmuziek. Er zijn niet heel veel opnames van zijn spel, dat heeft hij gemeen met veel organisten van zijn generatie. Toch is er op YouTube en Spotify wel het een en ander te vinden. Zoeken op Arie J. Keijzer of Jolanda Zwoferink. Laatstgenoemde speelt veel van de composities die hij geschreven heeft voor orgel. Luister bijvoorbeeld naar zijn variaties op Psalm 18. Arie J. Keijzer wordt volgende week 88 jaar.


21 mei 2021 -- Verwondering

‘Verwondering is het begin van alle wijsheid.’ Ik hoorde deze uitspraak van Aristoteles in een dienst over verwondering. Het viel me op, omdat ik net een boek uit had waarin deze wijsgeer ook ter sprake kwam. ‘De lange weg naar huis’ van Patrick Svensson, over een vader, een zoon en de paling. Op een boeiende manier verbindt hij de relatie met zijn vader met de kennis die we hebben van de paling. Een aanrader voor wie houdt van de boeken van Frank Westerman. Svensson noemt Aristoteles als eerste onderzoeker van de paling. Het is ongelooflijk wat hij in de vierde eeuw voor Christus aan kennis vergaarde met zeer beperkte hulpmiddelen. Voor hem begon alle kennis met ervaring: kijken, kijken en nog eens kijken. Eerst zien dat iets is, dan nadenken over wat het is en vervolgens kun je er misschien achter komen waarom iets is zoals het is. We zien hier de kern van de verwondering, niet zozeer als emotie, maar veelmeer als houding. Kijken zonder te weten, je laten verrassen, waarnemen met een open blik. Zo leer je de wereld kennen, zo leer je de ander kennen, zo leer je jezelf kennen. En dat volhouden, ook als je al het een en ander geleerd hebt. Hij hield dat ook vol tegenover zijn leermeester en collega Plato, die uitging van het reële bestaan van algemene begrippen, waarmee het concrete moest kloppen. Hij wist op een zeker moment wat hij zou gaan zien, Aristoteles niet. Die bleef kijken, naar elk verschijnsel, elke beweging, in de verwondering van het niet weten. Het is de grondslag van de moderne wetenschap, maar ook de kern van een levenshouding waarin we ons verwonderen om het nieuwe van elke dag.


17 mei 2020 – De tuin van de dood

Afgelopen vrijdag gaven Elly en Rikkert hun laatste concert, nu online uiteraard. Mijn zus had een lp van hen, zo leerde ik ze kennen. In mijn studententijd haalde ik hun lp’s bij de bibliotheek, zette de muziek op cassettebandjes en beluisterde die eindeloos. De vrolijke onbezorgdheid sprak me aan, ook het onburgerlijke, we gaan lekker onze gang, ‘de politie vindt het raar, want je zit daar als een mus, zo alleen op de trottoirband’ (‘Vreemde vogels’ met een leuk filmpje van een jonge Elly En Rikkert). Maar er was ook altijd de melancholie, de heimwee naar iets wat al verloren of onbereikbaar was. Een topper was voor mij ‘De zeven tuinen’. Tot mijn verrassing zong Elly precies dit liedje in de aflevering van ‘De verwondering’ ter gelegenheid van het naderende afscheid. Wonderlijk dat ze dit liedje schreef als twintigjarige, de klank verandert natuurlijk wel in de loop van een leven. Na de tuinen van het leven, de vrede, de liefde, de geheimen, de bekoring en de stilte ziet ze de tuin van de dood opdoemen.

Nu loop ik alleen door de tuin van de stilte
met ogen vol heimwee en armen vol spijt
de zon is verdwenen, ik wacht op de morgen
maar een loodgrijze muur houdt de toekomst verborgen
de zevende tuin in het land van de tijd
ik kan er wel heen, maar mijn angst is te groot
want achter die muur wacht de tuin van de dood.

In het gesprek met Annemiek Schrijver vertelt Elly over haar overgang naar het christelijk geloof. Dat was vooral een loslaten, een overgave, een weten van genade. Daarvoor had hun gezamenlijke weg, ook hun spirituele, veel meer iets van een prestatie. ‘Nog één stap en we zijn er.’ Ik herken dit als een breuk die je ook binnen het christelijk geloof kunt meemaken. Van een voortdurend pogen aan allerlei voorwaarden te voldoen of zelfs te proberen als Jezus te worden, naar het besef dat het zo goed is, dat je al in het licht leeft. Gerechtvaardigd noemt Paulus dat en van hem is ook de term ‘met Christus gestorven’. Zelf hoor ik dat in ‘de tuin van de dood’, het einde van alle zelfbeschuldiging en zelfrechtvaardiging. Die tuin is de zevende in het land van de tijd, het is de tuin van de vrijheid en het nieuwe leven.


11 mei 2020 – 11 mei

Spreuk bij het werk

Als ik nu in dit land
maar wat alléén mag blijven,
dan zal de waterkant
het boek wel voor mij schrijven.

Dit is wat ik behoef
en hiertoe moest ik komen,
het simpele vertoef
bij dit gestadig stromen.

Het water gaat voorbij,
wiss’lend gelijk gebleven,-
en heeft stilaan in mij
een nieuw begin geschreven.

Ik weet met zekerheid,
hier vind ik vroeg of later
het woord dat mij bevrijdt
en levend is als water.

Deze dag is de geboortedag van Ida Gerhart, daarom nog eens een gedicht van haar. Het is één van haar gedichten die ik graag herlees en in me laat dalen. Vandaag is het voor mij een gedicht over het voorbijgaan van de tijd. Daarin gaat het niet over wat blijft en gebleven is, maar over het nieuwe begin dat in ons geschreven wordt. Het is de reden dat ik lees en doorlees, over veel haal ik mijn schouders op, maar soms is daar het levende woord. En dat woord doet leven, bevrijdt. Ik vier mijn eigen verjaardag, in de stilte, aan de waterkant, in het vertrouwen dat het nieuwe voor me ligt. Het is de zin van alle werk.


7 mei 2020 – De Negende

Wenen, 7 mei 1824, voor het eerst is de Negende Symfonie van Beethoven te horen. Voor het publiek althans, de componist was al enige tijd doof. Ontroerend is het verhaal dat hij gewezen moest worden op het uitzinnig enthousiasme van de mensen in de zaal, hij hoorde er niets van. Intussen wordt deze muziek gerekend tot het werelderfgoed. De melodie in de finale kent iedereen en is tegenwoordig de uitdrukking van verbinding tussen mensen. Uiteraard door de tekst, ‘Alle Menschen werden Brüder’, maar zeker ook door de opzet van de symfonie. Jan Cayers beschrijft in zijn prachtige boek over Beethoven hoe de componist in de eerste delen van de symfonie verschillende antwoorden op de vragen en de verschrikkingen van het leven verklankt en afwijst, achtereenvolgens de verhevenheid, de feeststemming en de melancholische dromerigheid. In het slotdeel laat hij nog eens de chaos en de wanhoop horen tot zijn antwoord komt: ‘O Freunde, nicht diese Töne!’. Dat is de overgang naar zijn vreugdevolle versie van een tekst van Schiller, die uiteindelijk een ode aan de vreugde om de gemeenschap met elkaar blijkt te zijn. Na de diverse aanslagen in de afgelopen jaren waren er steeds weer (deel)uitvoeringen van deze muziek. Ook in de crisis van onze tijd wordt juist deze muziek gebruikt om elkaar te begroeten en te bemoedigen. Zie bijvoorbeeld de video van het Rotterdams Philharmonisch Orkest. Hier nog een link naar een uitvoering van het slot en een link naar een complete uitvoering.

'Seid umschlungen, Millionen, diesen Kuß der ganzen Welt!’


5 mei 2020 -- Ontkomen

Ontkomen

Diep in de stilte binnengedaald -
zoals een vis
zoals een vis
binnen het water ademhaalt,
water dat adem en aanvang is.

Diep in de stilte - en vrij geraakt,
zoals een vis
zoals een vis
zwaarteloos vaart met vinnen en staart,
voelend wat water en koelte is.

Diep in de stilte eenkennig gewend
- zoals de vis
zoals de vis
enkel kent zijn element -
kennend de Ene die was en is.

‘Vrij geraakt, zoals een vis’. Je kunt nadenken en stilstaan bij bevrijding, –wie of wat bevrijdt ons-, in dit gedicht van Ida Gerhardt gaat het meer om de toestand van vrijheid. Je kijkt om je heen en je constateert de vrijheid, in eerste instantie ben je je er zelfs niet bewust van, ‘zoals een vis’. Het is zijn omgeving, zijn niet anders weten dan van die omgeving, die hem vrij maakt. Een vis verwijst bij Ida Gerhardt niet altijd naar Jezus, maar in dit gedicht is wel erg zichtbaar. In de laatste strofe gaat het niet meer over een vis, maar over de vis. Het was in de eerste eeuwen van de kerk de geheime code voor de naam Jezus, een visje op de muur werd door christenen herkend. En zoals die vis kennen wij de Ene, als vrij geraakten. Een beetje Bijbelkennis helpt vaak bij het lezen van de gedichten van Ida Gerhardt. Kennen is het bijbelse woord voor het hebben van een liefdesrelatie. Ook het woord van de titel heeft een bijbelse klank. We kennen het uit de Psalmen met als topper het hijgend hert dat aan de jacht ontkomen is. In een lied over vrijheid (Lied 946 in het Liedboek) zingt Huub Oosterhuis over ‘ontkomen aan de angst’. Dat gebeurt, of beter: dat is gebeurd, waar we in de buurt van de liefde komen, waar we komen in het bereik van het licht. Tom Naastepad schreef een lied over de hof van de liefde (Lied 629), ‘ik ben aan de greep ontkomen / van de dief, van de nacht, / sterk is de liefde’. De dichter is ontkomen, aan de zorg, aan de angst, aan het donker, en ze kijkt verwonderd om zich heen. Ze is in haar element, daar waar mensen leven en opleven. De laatste woorden van het gedicht vult de lezer die bekend is met de Bijbel als vanzelf aan: die was en die is en die komen zal (Openbaring 1). ‘Ontkomen’ is de titel van het gedicht, over hoe we zijn ontkomen, maar ook over hoe we steeds weer ontkomen. Die is en en was en komen zal. Vandaag is de dag dat Hij komt, dat het leven komt, dat wij vrij zijn. Ontkomen.


30 april 2020 -- Groet

(Dit stukje schreef ik, evenals de vorige vier, voor de website van de Protestantse Gemeente Emmen-Oost)

In september nam ik afscheid van de Protestantse Gemeente Emmen-Oost met de onsterfelijke woorden van Paulus over de liefde waar niets ons van zal scheiden. Deze weken vallen me andere woorden op van hem, die waarin hij mensen groet. Mensen die hem lief zijn, die hij eerder ontmoet heeft. Mensen die hij vaak nooit meer zal zien, maar de verbondenheid blijft. En tussen de grote woorden over genade en vrijheid en liefde kom je steeds die groet tegen. Soms zelfs eigenhandig geschreven, ‘met grote letters’. In de antwoorden op de vraag wat men in de huidige crisis vooral mist hoor je steeds over het contact met elkaar. Over de ontmoeting met vrienden en familie, maar ook over contact tussen kunstenaar en publiek, of -zoals in ons geval- tussen leden van de gemeente. Ik vond het fijn om weer even terug te zijn, in de dienst op Witte Donderdag en via deze stukjes op de website. Het is ook heel mooi als je dan iets terug hoort, ik kreeg een paar reacties per mail na de dienst op Witte Donderdag, dan ben je weer even samen. Zo groeten we elkaar, soms met een gedachte, een mooi gedicht of muziekstuk, of heel letterlijk zoals in dit stukje. Ik schreef deze stukjes met jullie in gedachten, leden van de gemeente Emmen-Oost en meelezers. Jullie krijgen nu weer een nieuwe voorganger, begroet haar, ook als er nog geen direct contact kan zijn, zoals ik jullie nu groet. Ik stop hier met de stukjes op de website, we zien elkaar zo mogelijk wel weer eens in een dienst. Op mijn eigen website, www.jandekorte.nl, schrijf ik verder, zo je wilt kun je daar zo nu en dan langs komen. Met Paulus zeg ik: een heilige kus, genade zij met jullie.


24 april 2020 -- Een waar woord

‘Ik zou een woord willen spreken / dat waar en van mij is’. Een zin uit het lied dat Huub Oosterhuis schreef voor zijn dochter Trijntje. Het verlangen om een waar woord te spreken herken ik wel, maar nog vaker heb ik er behoefte aan een waar woord te horen. Temidden van de eindeloze stroom informatie, maar ook in alle ontwijkende, toedekkende woorden. Temidden van mooipraterij in en buiten de kerk, gespeeld enthousiasme en vroom geleuter. Ik kan daar gemeen boos om worden, omdat het mensen tekort doet, opzadelt met goedkope troost en vervolgens schuldgevoel, omdat ze er niet in kunnen geloven. Een waar woord is een woord dat je grond onder de voeten geeft, een woord dat je optilt, dat je nieuw zicht geeft, dat een weg biedt. Ik vind dat woord, soms, in de preken van Meester Eckhart, in gedichten van Ida Gerhardt en Hans Andreus en vele anderen, in de Psalmen, in de brieven van Paulus, soms in een roman, zoals laatst in 'Het zoutpad' van Raynor Winn. Een waar woord is niet een waarheid als 1+1=2, maar een woord van hart tot hart. Een woord waarvan je voelt dat het klopt en dat het ook voor jou geldt. Een vindplaats is ook 'De verwondering', het wekelijkse programma van Annemiek Schrijver, waarin ze in gesprek gaat over wat de ander beweegt en op weg houdt. Ze luistert heel nauwkeurig naar haar gesprekspartner en durft in te brengen waar de woorden van de ander haar raken. Afgelopen zondag een herhaling van een ontmoeting van een paar jaar geleden. Eric Cossee was te gast. Hij vertelde over het overlijden van zijn zoon, ‘door eigen hand’, zoals hij nog niet eerder verteld had. Het afschuwelijke wordt onder woorden gebracht, ook de zwaarte van het leven met de angst en de wanhoop van deze zoon. En dan geen enkele mooipraterij. Een crisis is nergens goed voor, heeft geen bedoeling, hoef je niet dankbaar voor te zijn. Cossee bracht het verhaal mee van de Emmaüsgangers, twee leerlingen van Jezus in gesprek over zijn vreselijke sterven. Ondanks en in de crisis is er de ontmoeting, de gedeelde maaltijd, de eerste stap naar het leven in de toekomst. Als predikant kwam hij zijn gemeente weer onder ogen met de woorden van Psalm 119: ‘Ik klem mij vast aan uw getuigenissen’. Ontroerend om te zien hoe bij deze man er weer vertrouwen komt, zonder iets af te doen aan de zwaarte van wat gebeurd is. Naar ware woorden hebben we te zoeken als gemeente van Christus, om te horen en om te spreken. Dat doen we, ook in deze moeilijke tijd. Het zijn altijd woorden van opstaan uit het donker, nieuwe stappen, eerste stappen.


17 april 2020 -- Windezucht

Het is zo stil
zo stil nu buiten
en geen geluid dan ‘t vogelfluiten
doortrilt de lucht
de wolken zijn zo strak gestreken
dat zij in zilver zouden breken
bij windezucht.

Zo begint een gedicht van Hans Lodeizen. ‘Het is zo stil / zo stil nu buiten’. Eerder zochten we die stilte wel, nu is de stilte ons opgedrongen. Van buiten geen geluid dan de klep van de brievenbus en het signaal van onze telefoon, als die geluiden er al zijn. Regelmatig komt me een naam of een gezicht in gedachten, van de ontmoetingen en bezoeken in Emmen-Oost. Ik zie jullie in jullie woon- en ziekenkamers. Stil is het, buiten en binnen. ‘De wolken zijn zo strak gestreken’, soms staan we zelf strak van de stilte die spanning oproept, de spanning van het gebrek aan contact, de spanning van de eenzaamheid. Ik hoorde het gedicht van Hans Lodeizen in het mooie programma Passaggio van Lex Bohlmeyer, elke werkdag ‘s avonds om zeven uur op Radio 4. Ik schreef het op zoals ik het hoorde.

Namiddagliedje

Het is zo stil
zo stil nu buiten
en geen geluid dan ‘t vogelfluiten
doortrilt de lucht
de wolken zijn zo strak gestreken
dat zij in zilver zouden breken
bij windezucht.

Dan zou het goud der zonnestralen
de witte wolken achterhalen
en heen doen gaan
en kregen bij het nieuwe licht
de dingen weer een nieuw gezicht
een nieuw bestaan.

Het is zo stil
zo stil nu buiten
en geen geluid dan ‘t vogelfluiten
doortrilt de lucht
de wolken zijn zo strak gestreken
dat zij in zilver zouden breken
bij windezucht.

Zeker in onze omstandigheden klinkt in het middendeel een hoop en verwachting. Een hoop op het doorbreken van de stilte, van de strak gestreken wolken, van de spanning waarin we leven. Het is ook een constatering: er is niets voor nodig dan windezucht. Het doet me denken aan de Geest boven het water, de engel boven het badwater van Bethesda. Een rimpeling in het water die genezing brengt. Ook aan het lied dat ik graag met de gemeente samen zing, ‘Raak mij aan met uw adem’. Maar ook aan het geluid van de brievenbus en de telefoon, aan de bloeiende plant in de vensterbank, aan de tekening van mijn kleinzoon. Het is allemaal windezucht, let even goed op, want het is zo voorbij en je kunt er heel gemakkelijk overheen leven. Maar de dingen kunnen er een nieuw gezicht, een nieuw bestaan van krijgen. De dingen, onze dagen, de beslotenheid van onze huizen en kamers, onze verhouding met onszelf en de anderen. Je kunt er om vragen, om windezucht: ‘Kom en doorstraal mijn dagen, / Geest van God uitgegaan, / die mijn ogen opent / voor wie nu naast mij staan.’ Lees het gedicht nog eens en wees stil, laat je desgewenst helpen door Beethoven, verstil en voel de windezucht.


10 april 2020 -- ‘Wohl mir’

In de dienst op Witte Donderdag hoorden we het lied dat Bach gebruikt in cantate 147.

Wohl mir dass Ich Jesum habe,
o wie feste halt ich ihn.
Dass er mir mein Herze labe,
wenn ich krank und traurig bin.

Jesum hab Ich, der mich liebet
und sich mir zu eigen gibet ,
ach drum lass Ich Jesum nicht,
wenn mir gleich mein Herze bricht.

Een op jezelf gerichte zaligspreking noemde ik het in de dienst, waarin ik mediteerde bij de eerste regel van dit lied. We prijzen ons gelukkig dat we Jezus hebben, dat is de samenkomst van de christelijke gemeente. Ik noemde drie aspecten van dit geluk. In de eerste plaats zijn we blij met Jezus, omdat hij ons uit ons verhaal van de dagelijkse feiten haalt. Je blik wordt ruimer, je krijgt oog voor de breedte, de hoogte en diepte van het leven, dat niet lotmatig bepaald wordt door wat er in de wereld gebeurt. In de tweede plaats noemde ik de inhoud van het verhaal van Jezus, het brengt ons bij het wezenlijke, het herinnert ons aan de liefde, de trouw, de gemeenschap en verbondenheid. De liefde aan ons en de liefde van ons. Ook dat laatste, ‘wel mij’, dat ik kan geven. Ook vanuit de isolatie en de eenzaamheid, in gedachte en gebed gericht op de ander, in een gebaar, groter of kleiner, een kaartje, een telefoontje, een dienst. Tenslotte noemde ik een aspect dat juist op Witte Donderdag naar voren komt. Voor Jezus is er geen grens aan deze liefde en trouw, gemeenschap en verbondenheid. Op de dag voor zijn sterven, op het moment dat het verraad aan de orde komt, richt hij een maaltijd aan, een maaltijd van ontvangen en geven. Dat is de maaltijd die we ook in deze dienst gevierd hebben, brood en wijn, breken en delen. En we zongen de lofzang, met Jezus en zijn leerlingen. We prijzen ons gelukkig dat we Jezus hebben, zelfs als ons hart breekt. De dienst is hier terug te zien.


3 april 2020 -- Hoeder van het huis

‘Ook papa kan de hoeder van het huis zijn’. Een kop in de krant van 2 april. We hoeven elkaar niet uit te leggen waar het artikel over gaat, we leren snel in deze weken. Hoeder van het huis, ook papa, zoals mama het meestal was in de traditionele rolverdeling. Onze bewegingsruimte is klein geworden, we kunnen minder weg en krijgen minder of geen bezoek. Dan wordt onze woonruimte nog belangrijker, daarom trof me het woord hoeden in de krantenkop. Hoeder van het huis zijn, iets om je in deze dagen op te concentreren. Zelf ben ik, zoals zovelen, gaan klussen, er was nog een kamer te schilderen. Maar het kan op vele manieren, hoeder van het huis zijn, zorg dragen voor de ruimte waarin je woont, alleen of samen. Ik dacht bij de woorden in de krant aan een gedicht van Ida Gerhardt. Ze leest daarin een oude grafsteen, een monument uit de Griekse oudheid.

Archaïsche grafsteen

In het verscholen thijmdal,
domein der honingbijen,
de dodensteen, de stèlè.
'Metoon wijdt deze grafsteen
aan zijn verkoren Aktè,
de moeder zijner zonen,
die stierf, oud twintig jaren.
Zij heeft het brood gebakken,
zij heeft de wol gesponnen,
het huis in stand gehouden.'
De wind beweegt, de bijen
zoemen de stilte stiller;
zij arbeiden, zij fluisteren:
'het huis in stand gehouden,
het huis in stand gehouden.'

Hier een moeder, als hoeder van het huis. Ze heeft van alles gedaan in haar korte leven, de dichter hoort de bijen het wezenlijke zoemen: ‘zij heeft het huis in stand gehouden’. Een virus overspoelt de wereld en ontregelt ons leven. We kunnen er niets aan doen dan de adviezen opvolgen en afwachten. Intussen kunnen we ons spiegelen aan Aktè: ‘zij heeft het huis in stand gehouden’. We horen van eenzaamheid, verveling, wanhoop, huiselijk geweld, maar ook van tegenbewegingen. Ik noemde mijn klussen als voorbeeld, anderen pakken oude hobby’s of cursussen op of gaan opruimen. Je kunt ook eenvoudig vanuit je stoel om je heen kijken, zien wat je hebt en daar bij stil staan. Oude foto’s oppakken, in gedachten stil staan bij wat je lief is. Zo hoed je je huis, als plaats van leven en vrede, als ruimte van dankbaarheid, als basis om te ontvangen en te geven. En luister naar muziek die je mooi vindt, bijvoorbeeld de Cantique de Jean Racine van Fauré.