Webdagboek van Jan de Korte


Tijdens mijn predikantschap hield ik een webdagboek bij op de site van de gemeente waarin ik werkte. Nu ik met emeritaat ben zet ik dat webdagboek hier voort op mijn eigen site. Reacties zijn altijd welkom.



21 april 2024 – Bij het Bijbelleesrooster, Johannes 10:11-18

‘Ik ben de goede herder.’

Jezus zegt ‘ik’. Zoals hij wel vaker ik zegt. Hij gaat niet in discussie over wat of wie een goede herder is. Hij betrekt het op zichzelf. Een goede herder is er alleen als iemand ik zegt. We denken misschien aan leiderschap bij het beeld van de goede herder, maar het gaat hier om de vragen daarachter. Hoe betrokken ben je, wat is je inzet, waar gaat het je om? We lezen hier geen beleids- en bestuurstechnische adviezen, het gaat over de inzet van je leven.

Het beeld gaat ook veel verder dan een herder en zijn kudde. Dat is zelfs zo in de psalm van de herder, uiteindelijk gaat het over het genodigd worden aan de tafel van de Heer en en steeds terugkeren in zijn huis. Over een leven in vrijheid en verantwoordelijkheid, in afhankelijkheid en dankbaarheid. Dat is hier ook zo, de woorden over het elkaar kennen springen uit het beperkte beeld van de herder en de kudde schapen.

Die woorden komen voort uit woorden in het Oude Testament, waar kennen liefhebben is, in relatie zijn met elkaar. Het in elkaar opgaan van mensen, geestelijk en fysiek, een eenheid vormen. ‘De Vader mij en Ik de Vader’, dat heeft weinig meer te maken met de verhoudingen van een schaapskudde en de herder. Het gaat over het stromen van het leven, van jezelf kunnen zien in de ogen van de ander. Dat begint met iemand die ik zegt en dat doet met de inzet van heel zijn leven, iemand die zich geeft. Het antwoord is niet nemen, maar je afstemmen, je laten doordringen. In dat antwoord van jezelf vind je het levenwekkende van het aanbod van Jezus.


17 april 2024 – Bij het Bijbelleesrooster, 1 Johannes 2:28-3:8

‘… en hoeven we ons niet te schamen ...’

Schaamte heeft te maken met splitsing, een splitsing in jezelf. Tussen wie je bent en wie je zou moeten zijn. Zou moeten zijn van jezelf of van je omgeving. Schaamte zorgt er voor dat je je aanpast aan de normen, daarin kun je het nut van schaamte zien. Anderen zien het nut meer in het beter leren kennen van jezelf, je persoonlijke waardes en behoeftes, zodat je daar meer op kunt varen. In beide gevallen proberen we de splitsing te verzachten en de schaamte te verminderen.

De schrijver van deze brief heeft een ander perspectief. Hij of zij ziet de schaamte verdwijnen. Niet in het totaal jezelf zijn, dat is in het denken van deze schrijver een vreemde abstractie. Maar ook niet in de aanpassing aan de normen die ons opgelegd worden. Ik denk dat dat hier onder de misleiding valt, onder de leugens van zichzelf opdringende leraren. In deze brief gaat het niet om norm en zelf, maar om het leven in liefde. En dat kennen en zien we in Jezus Christus.

In Jezus’ leven is de splitsing overwonnen doordat hij leeft in eenheid met de bron. Je kunt ook zeggen: in verbondenheid met zichzelf, de ander en God. Dan valt de reden weg om je voortdurend af te vragen of je wel bent zoals je zou moeten zijn. Je leeft op de stroom van genade, die zich ook vormgeeft in recht en traditie. Wie ‘in Jezus blijft’ leeft ook in en van die stroom. Schaamte jaagt je niet meer op, schaamte trekt je ook niet meer naar beneden. Je loopt rechtop, niet krom, je laat je zien, geen afweerscherm, je leeft in vrede, geen eindeloos moeten.


15 april 2024 – Bij het Bijbelleesrooster, Palm 4

‘In vrede leg ik mij neer
en meteen slaap ik in,
want U, HEER, laat mij wonen
in een vertrouwd en veilig huis.’

Ik noem het altijd het mooiste gebed, een gebed voor elke dag en voor je laatste uur. Het gebed dat ik leerde van mijn moeder, zoals zoveel kinderen. ‘Ik ga slapen, ik ben moe, ‘k sluit mijn beide ogen toe, Here, houd ook deze nacht, over mij getrouw de nacht.’ Maar door deze psalm realiseer ik me weer eens dat het ook een ontsnapping kan zijn, een ontsnapping aan de moeheid, aan het gedoe, aan de zwaarte en de plicht van het leven.

Het gebed aan het eind van Psalm 4 is dat zeker niet. Het gaat over antwoord en genade, over keuze en offer. Het gaat zelfs over het gesprek met jezelf in de nacht, als je wakker ligt, als het duister is. De vrede is er hier dan ook niet, omdat je je, tijdelijk of voorgoed, aan alles kunt onttrekken. De vrede is hier de ontvangen vrede, de vrede van het gehoorde antwoord, de vrede van het luisterende hart. Geen ontsnapping, maar het bewustzijn dat het goed is, in licht en duister. Zo kun je slapen.

Muus Jacobse heeft de psalm prachtig berijmd. En geheel in de lijn van de psalm, die ook een psalm van opstanding is, van nieuw leven, heeft hij in het slot de morgen er ingevoegd. Het vertrouwde en veilige huis is niet de veiligheid onder de dekens, maar het leven van de nieuwe morgen, waarin je je geborgen weet.

‘Ik kan gaan slapen zonder zorgen,
want slapend kom ik bij U thuis.
Alleen bij U ben ik geborgen.
Gij doet mij rusten tot de morgen
en wonen in een veilig huis.


10 april 2024 – Bij het Bijbelleesrooster, 1 Johannes 1:1-7

‘… er is in Hem geen spoor van duisternis.’

Mijn dagelijkse frustraties, mijn innerlijk gemopper, al mijn ontevredenheid, maar ook mijn angsten en mijn zorgen. En de angst voor dreiging en straf, voor lot en oordeel, de angst voor de dood en de angst voor een duistere toekomst van deze wereld. Geen spoor daarvan in deze tekst.

Niet dat het allemaal verdwenen is, maar het wordt niet geprojecteerd op een hogere macht, het wordt ook niet als tragedie gezien. En projecteren op de God zoals Israël en Jezus die laten zien is al helemaal uitgesloten. In Hem is geen spoor van duisternis. Het is geen dualisme, alsof je voor de duisternis ergens anders moet zijn. Het is juist het tegendeel: het duister is geen zelfstandige grootheid.

Dat opent het zicht op een leven in vrijheid, vrij van de behoefte om mijn frustratie en ontevredenheid een adres te geven, vrij van de behoefte om allerlei waarom-vragen te stellen, laat staan beantwoord te krijgen. Behoeftes hier samengevat met het woord zonde. Leven is vrijheid, is licht, is scheppend woord, dat is het getuigen en de vreugde van deze brief. De ‘zonde’ is niet weg, maar bepaalt niet, ook de kleur van ons geloof niet.


4 april 2024 – Bij het Bijbelleesrooster, Deuteronomium 1:1-18

‘Heel dat gebied schenk Ik jullie. Trek het binnen en neem het in bezit, het land dat de HEER jullie voorouders Abraham, Isaak en Jakob en hun nageslacht onder ede heeft beloofd.’

Het eerste hoofdstuk van Deuteronomium brengt ons als hedendaagse lezers gelijk in de problemen. Een land, beloofd, geschonken, in bezit genomen. Ten koste van anderen die daar al woonden. De cynicus ziet hoe het is en nooit anders geweest is. In en rond Israël. vanaf het begin waren er spanningen tussen Joden en anderen. De vrede was altijd een bedreigde vrede. Misschien zijn juist die spanningen, het weten van die spanningen, de wortel van woorden als deze. En zijn deze woorden een uiting van dankbaarheid, van dankbaar besef hier te mogen wonen.

Bij deze woorden en het probleem dat ze oproepen denk ik aan ons eigen bezitten. Onze welvaart en rijkdom is niet onbelast, gaat vaak ten koste van anderen. Daarbij kun je denken aan het koloniaal verleden, maar ook aan de huidige verdeling van ruimte, van grondstoffen, van energie, van water. We kunnen dankbaar zijn voor wat we hebben, zonder te claimen dat we er recht op hebben. Het recht gaat over het samenleven. Opvallend dat hier bij de landbelofte het handhaven van het recht direct ter sprake komt.

Dankbaarheid kan alleen oprecht zijn als het samengaat met het recht. Het recht dat hier in de ideeën van Mozes vorm krijgt, zoals in onze cultuur in verklaringen van mensenrechten en de grondwet. Het is goed te bedenken dat het rechtstelsel hier ontspringt aan de belofte en de gave. Het recht is niet de bevestiging van onze rechten, ons recht op land, ons recht op welvaart, ons recht op vrijheid. Dan wordt het een stok om de ander te slaan en te knechten. Het recht leven en toepassen kan alleen vanuit de dankbaarheid. Zo wordt het recht hier gezien als vormgegeven genade, vandaar dat de vreemdeling er ten volle in deelt.


2 april 2024 – Bij het Bijbelleesrooster, Jeremia 33:12-18

‘… altijd ...’

Altijd zal er een koning zijn, altijd zal er een priester zijn. Jeremia zegt het in een wereld waar ‘mens noch dier meer leeft’. Het is geen natuurwet, daarom zegt de profeet het wat omslachtiger. Er zal nooit iemand ontbreken om koning te zijn in de lijn van David, er zal nooit iemand ontbreken om priester te zijn in de sfeer van de Levieten. Israël zal altijd Israël kunnen zijn.

De koning heeft de zorg voor de dwarsverbanden, gaat over de verbinding. De priester staat voor de verdieping. De koning gaat over het recht en de uiterlijke vrede, de priester gaat over de vrijheid en de innerlijke vrede. Dit ‘altijd’ van Jeremia gaat over het nu, er is geen enkel excuus, nooit, om het recht en de vrijheid maar op te schorten. Om ze maar door te schuiven naar betere tijden in al of niet verre toekomst. Altijd is nu.

Dit ‘altijd’ is geen vanzelfsprekendheid. Zoals de dood altijd aanwezig is of zoals de zon altijd schijnt achter de wolken en morgen weer opkomt. Dit ‘altijd’ is het altijd van de profeet, die de waarheid verkondigt, het licht laat vallen op wat ons overkomt. Zonder dat licht geen ‘altijd’. Zonder profeet geen koning en geen priester, het recht en de vrijheid en de vrede worden gewekt door zijn woord. Het woord van het begin, het woord dat vermoord werd, maar daardoor niet tot zwijgen gebracht werd. Daarom: altijd.


31 maart 2024 -- Pasen

Mache dich, mein Herze, rein,
Ich will Jesum selbst begraben.
Denn er soll nunmehr in mir
Für und für
Seine süße Ruhe haben.
Welt, geh aus, laß Jesum ein!

Aan het eind van de dienst op Goede Vrijdag las ik vaak de passage over Josef van Arimatea. Deze Josef krijgt toestemming om het lichaam van Jezus mee te nemen en legt het in een voor hem zelf bestemd rotsgraf. ‘Daarna rolde hij een grote steen voor de ingang van het graf en vertrok.’ Alsof hij daarmee een punt zet achter het verhaal van de ontluisterende en wrede kruisiging. Een punt achter de afwijzing die leidde tot de dood van Jezus. Ik vond het altijd een mooie opmaat naar Pasen.

In de Mattthaüs Passion van Bach volgt op deze passage een prachtige aria, de tekst staat hierboven. Bij het beluisteren van de Passie vielen me dit jaar de woorden op over het zelf begraven van Jezus. Dat is wat Josef wil: Jezus zelf begraven. Bach zet deze wens met deze aria in het licht van de nieuwe ruimte die er komt. Heelheid in het hart, de wereld er uit, Jezus er in. Ik zou het anders noemen dan zoete rust, maar het is duidelijk dat Josef van Arimatea, volgens dit lied, geheel vervuld wil zijn van Jezus.

Zo maakt Josef van de dag van de dood van Jezus al een derde dag, een dag van opstanding. Hij maakt duidelijk, zo interpreteert Bach, dat hij zich niet laat leiden door de dood van Jezus, door het geweld en de afwijzing van de wereld, maar dat hij wil leven in de zoete rust, in de vrede en het recht en de liefde die van Jezus uitgingen. Dat kan niet als je leeft met de frustratie om zijn dood, met de frustratie van je machteloosheid tegen de tegenstanders, met de frustratie van beloftes die niet nagekomen zouden zijn. Daar rolt hij een grote steen voor en gaat verder. Zo staat Jezus op op de dag van zijn dood, in het hart van Josef van Arimatea.


26 maart 2024 – Bij het Bijbelleesrooster, Psalm 40

‘Ik ben arm en zwak,
Heer, denk aan mij.
U bent mijn helper, mijn bevrijder,
mijn God, wacht niet langer.’

De psalm spreekt van redding, over vaste grond onder de voeten. En er lijkt een beeld te ontstaan van een modelgelovige, die spreekt van recht en waarheid. Verderop in de Bijbel wordt de psalm zelfs gelezen als een gebed van Jezus, hij die gekomen is om de wil van God te doen. Maar aan het eind lijken we niet veel opgeschoten te zijn, lees de geciteerde woorden.

Er klinkt een zeker ongeduld in dit lied. Een ongeduldig verlangen. Alsof de zanger wil zeggen: daar kiept het, daar is de omwenteling. Hij of zij beschrijft allerlei levenssituaties die we herkennen: vastzitten, wegzakken in de brei van het leven, verdwalen in het bedrog, in beslag genomen door de herinnering aan het verleden. Daartegenover staat een leven in vrijheid, waarachtigheid en vreugde. Met een nieuw lied in de mond.

Op de grens van het een en het ander, van dood en leven, staat het verlangen, het roepen, het wachten, het ongeduld. Ook dat is gegeven, ‘U hebt mijn oren voor U geopend’, dat weet de psalmdichter wel. Het ongeduldig verlangen is geen kwaliteit, maar het doet recht aan de situatie, enerzijds de armoede, anderzijds de bevrijding. Vandaar die laatste woorden in deze psalm, weten dat je arm en zwak bent, dat is de winst in deze psalm, in die positie kun je gevuld en vervuld worden.


24 maart 2024 – Bij het Bijbelleesrooster, Marcus 11:1-11

‘Hij trok Jeruzalem in en ging naar de tempel. Nadat Hij daar alles gezien had, ging Hij – want het was al laat geworden – met de twaalf terug naar Betanië.’

Het verhaal dat Jezus Jeruzalem introk staat in alle vier evangeliën. Telkens als Jeruzalem en de tempel genoemd worden in hun verhalen, verankeren de evangelisten Jezus in het Oude Testament en ook in het Jodendom. Hij is niet de stichter van een nieuwe godsdienst, maar de vervulling van het Joodse geloof. Hij herinnert, hij verwijst, hij vervult. Hij gaat naar de tempel en bekijkt daar alles.

Het herinnert me aan ons bezoek aan Breda onlangs. We gingen naar de Grote Kerk, we bekeken alles en gingen, het was weer tijd, terug naar ons verblijf op het vakantiepark. Nu vraag ik me af wat Jezus gezien zou hebben. Wij zagen een schitterende kerk met een prachtig orgel, veel historie, veel Oranje Nassau. Een diepblauwe vloer en hemelse plafondschilderingen. Voortdurende restauratie, maar wat willen we behouden.

Ik denk dat Jezus de ruimte zocht, de ruimte van de stilte en het gebed. De ruimte van de ontmoeting van hemel en aarde, de ruimte van de ontmoeting van mens tot mens. De volgende dag komt hij terug en maakt van de tempel weer die ruimte. Een leegte, een stilte, waarin je kunt luisteren, je af kunt stemmen op de goede woorden. Wij maakten de volgende dag een gebedsdienst mee in een nonnenklooster, waar we de woorden hoorden van het getuigenis van Jezus over zichzelf, altijd verwijzend, ‘Ik kan niets doen uit mijzelf’. Dat is de ruimte en de leegte in hem, waar onze monumenten, kerk en klooster, op hun goede momenten van getuigen.


21 maart 2024 – Bij het Bijbelleesrooster, Jeremia 32:36-44

‘…maar er zullen weer akkers worden gekocht.’

Het lijkt een totaal zinloze actie van Jeremia, die een akker koopt in een land dat op het punt staat kopje onder te gaan in het geweld van de grootmachten. Een koop die ook nog in het kader staat van de religieuze traditie van het volk Israël, bedoeld om het recht en de vrede in het beloofde land te waarborgen. En juist dat maakt die koop tot een zinvol gebaar, een gebaar dat duidelijk maakt waar de belofte op gericht is.

Het verhaal wordt zeer uitgebreid verteld. In eerste instantie interpreteert Jeremia de vraag van zijn neef als een opdracht van de Heer. Zo vreemd en buitenissig is die vraag blijkbaar. En het klinkt in het vervolg van het verhaal alsof de profeet er zichzelf van moet overtuigen dat dit echt is wat de Heer wil. En zo doet hij iets wat ingaat tegen de waan en de nood van de dag. Hij werkt aan de opbouw en het behoud van het land, als het land van belofte.

Er is van alles te doen in een wereld vol wanhoop en ondergang. En soms, te vaak, doen we niets. Of hebben we het gevoel dat we niets kunnen doen. Tegen de overmacht, tegen de grootsheid van het geweld, tegen de loop van de geschiedenis. Tegen onze eigen somberheid, angst en zorg in. Dit verhaal nodigt ons uit iets te doen, tot daden die staan in een kader, in een kader van belofte. Jeremia kan ook niets garanderen, het is maar de vraag of er ooit weer akkers worden gekocht, maar hij weet wat het leven waarde geeft. En zo leeft hij, midden in de chaos, midden in de onzekerheid van de tijd.


16 maart 2024 – Bij het Bijbelleesrooster, Johannes 6:60-71

‘Het aardse bestaan leidt tot niets, het is de Geest die levend maakt.’

Er zijn geen andere opties die tot het leven leiden. Dat is het niet-vrijblijvende van het evangelie waar ik gisteren op uit kwam. En dat geldt voor elke situatie waarin het verhaal van Jezus Christus wordt doorverteld. Het was voor Mozes al duidelijk: ‘Het leven en de dood houd ik u voor, kies dan het leven.’ Je kunt wel niet kiezen, maar dat is een verwerpen, dat is een vertrekken zoals in dit verhaal. Daar zal ook de ergernis wel ergens zitten: hier komen we niet onderuit.

Het is niet omdat het verhaal van Jezus een bewezen waarheid is. Zoals je niet om 1+1=2 heen kunt. De tegenstelling in het evangelie is: je geeft je leven uit handen of je hobbelt door in je eigen verhaal en patroon. De waarheid van Jezus is geen waarheid die uit een discussie rolt. Niemand heeft gelijk, het is de Geest die levend maakt. Dat leeft Jezus en dat spreekt Jezus. Hij doet dat zo zuiver dat het wel duidelijk is dat hij geen input voor de discussie geeft, maar je stelt in het moment van keuze en overgave.

Het onderricht van Jezus is geen informatie, en zie maar wat je er mee doet. En dat geldt, net als gisteren, voor allen die van hem spreken. De toon is niet dictatoriaal, niet dwingend, de toon is uitnodigend, heeft altijd iets van: ‘Kom maar, doe mee, stap in, sta op.’ Het is wel altijd urgent, het gaat om het leven van de spreker en de hoorder, en daarin om de zegen en het heil van de wereld. ‘Naar wie zouden we moeten gaan?’ vraagt Petrus, hij beseft dat hij er al is, in de reikwijdte van het Koninkrijk, van de vrijheid en de vrede.


15 maart 2024 – Bij het Bijbelleesrooster, Johannes 6:41-59

‘Dit alles zei Hij in de synagoge van Kafarnaüm toen Hij daar onderricht gaf.’

Het onderricht van Jezus is gericht op leven, het is een leren, een les, die geen kennis oplevert, maar leven, eeuwig leven zelfs, het leven in zijn kern. Een bakker die zijn eigen brood niet eet, een reisleidster die zelf niet van vakantie houdt, dat is nog voor te stellen. Maar een Jezus die zijn eigen verhaal niet leeft is volstrekt ongeloofwaardig en zelfs onmogelijk. Het leven en de leer van Jezus vallen samen.

Vandaar die op het eerste gezicht arrogante ‘ik ben’ woorden. Hij leeft van het brood uit de hemel en zo is hij, als hij daarvan spreekt, ook het brood uit de hemel. Zijn leer aannemen, zijn les kennen, betekent daarom ‘hem eten en drinken’, je bestaan helemaal laten vullen met hem. Jezus is daarom niet de goeroe die alles voor je bepaalt, zonder dat je goed snapt waarom, wel is hier geen enkele ruimte voor vrijblijvendheid. Leren is hier leven.

Juist omdat we geen goeroes willen in de kerk, voorgangers die mensen binden en blind laten volgen, uit angst daarvoor, zijn we misschien wel te vrijblijvend. Een voorganger in het spoor van Jezus, en dat is iedereen die een goed woord over het evangelie wil spreken, is nooit vrijblijvend. Persoonlijk zie ik vaak een kloof tussen wat ik verkondig en wat ik zelf voel en beleef. Dat is niet erg, hoogstens voor mezelf, maar wat voorop moet staan is dat ik ervan overtuigd ben dat het woord dat ik spreek ook, en misschien wel in de eerste plaats, de enige redding is voor mij in mijn dieptes. Zo weerspiegelen we iets van de ‘ik ben’ woorden van Jezus.


8 maart 2024 – Bij het Bijbelleesrooster, 2 Petrus 2:10b-22

‘Droogstaande bronnen zijn het, mistflarden die door een wervelwind voortgejaagd worden.’

‘Maar wat je weggeeft is niet zomaar grond. Het is vrijheid. Het betekent de goelag voor wie zijn stem verheft, vergiftiging voor wie zich verzet, de gevangenis voor wie het stalinisme herdenkt, ontslag voor wie niet meewerkt, boetes voor wie iets fluistert, angst voor wie iets denkt.’ Stevo Akkerman schrijft vandaag in Trouw over het, in zijn ogen gevaarlijke, paaien van Poetin. Je kunt het toepassen op alle geflirt met welke ideologie dan ook.

Zo lees ik deze dagen deze tirade tegen dwaalleraren in de tweede Petrusbrief. Denkend aan alle nepinformatie, de valse leer op de sociale media, de kruistochten tegen van alles en nog wat, het misbruik van onvrede onder mensen, opruiing, ondermijnen van de democratie. Het zijn kwade geesten die over ons lijken te komen. Akkerman geeft precies aan wat we te verliezen hebben. De vrijheid je eigen leven vorm te geven in woord, gebaar en gedachte.

Het pijnlijke is dat de gewonnen en geschonken vrijheid misbruikt wordt om diezelfde vrijheid teniet te doen. Dat staat ook al in deze brief. Als een gewassen zeug die al snel weer door de modder rolt. Een beeld waarmee we het varken tekort doen, maar dat wel een tendens van onze tijd weergeeft. Het bijbelfragment van vandaag geeft weinig uitweg, het wordt wel mooi poëtisch verwoord, droogstaande bronnen, mistflarden, wervelwind. Het doet mij uitzien naar het waaien van de geest, dat de vorm aan kan nemen van een reinigende storm.


5 maart 2024 – Bij het Bijbelleesrooster, Psalm 102:1-15

‘… uw dienaren hebben de stenen van Sion lief,
de ruïnes vervullen hen met deernis.’

Het is geen populaire psalm, volgens mij wordt hij weinig gezongen. Misschien komt het door het eigene van deze psalm: de verbinding van de persoonlijke ellende en de situatie van de gemeenschap. Van de persoonlijke ellende is er ineens de omslag naar de toekomst voor het volk. Het volk dat in ballingschap is en hoort van de ontferming over Sion. Het ongeluk van de ene lijkt geen rol meer te spelen, is dat het lastige?

Lastig is ook de verwijzing naar de toorn van God, die deze mens geraakt zou hebben, neergesmeten. Ik heb de neiging zo iemand tegen te spreken, denk zo niet over God, want dan vertroebel je het zicht op de Ene. Maar dat is mijn last, de psalmdichter zit er zo te zien niet mee. Hij is neergesmeten, maar even gemakkelijk jubelt hij over het opstaan en de ontferming van de Heer. Zijn individuele pijn is zozeer verbonden met de pijn van de gemeenschap, dat het collectieve heil ook zijn heil is.

Heb ik iets aan deze psalm, in mijn pijn om de aarde, om Gaza, om Oekraïne? Of ben ik daarvoor toch te individualistisch gevormd, ik word nog wel onrustig door het lijden van de gemeenschap, maar het antwoord moet dichterbij zijn? In ieder geval relativeert de psalm de persoonlijke ellende, en ook de persoonlijke vragen rond God en het waarom. In ieder geval is er een toelaten van het verdriet dat me ontroert, de liefde voor de puinhopen. Daar roert het hart zich weer.


28 februari 2024 – Bij het Bijbelleesrooster, Psalm 51

‘Schep, o God, een zuiver hart in mij,
vernieuw mijn geest’

Ooit schreef ik stukjes als deze voor de Bijbelse Dagkalender van uitgeverij Boekencentrum. Bij ieder stukje werd ook een lied genoemd, daar zou ik vandaag niet lang over na hoeven te denken. Een lied van Johann Friedrich Ruopp, mooi vertaald door Ad den Besten.

Vernieuw Gij mij, o eeuwig licht!
God, laat mij voor uw aangezicht,
geheel van U vervuld en rein,
naar lijf en ziel herboren zijn.

‘Je mag best eens zondigen’, zei de voedingsdeskundige bij zijn advies. De hang naar de afgeraden waar blijft er toch altijd. De afgekickte verslaafde moet uit de buurt blijven van de verleiding en David zal zeker nog meer aantrekkelijke vrouwen zien. We weten allemaal hoe gemakkelijk we vervallen in de oude gewoontes. Vandaar de vraag om vernieuwing, een soort hergeboorte. Het gaat hier niet alleen om de schuld van het verleden, ook over de mogelijkheid van een andere toekomst.

Den Besten maakt het lied iets aardser dan het was bij Ruopp. Waar oorspronkelijk ‘hart en ziel’ staat, dicht Den Besten ‘lijf en ziel’. Het lijkt de vernieuwing moeilijker te maken. De geest wil wel, zegt Paulus, maar het lichaam is zwak. Lichaam en geest zijn niet los van elkaar te denken, maar zo gezien gaat de vraag van deze psalm wel heel ver. Een totale herschepping, zuiver, rein, witter dan sneeuw. ‘Als dat zou kunnen ...’, zucht Huub Oosterhuis aan het slot van zijn bewerking van dit lied. Precies deze zucht is de waarde en het bijzondere van deze psalm, de gedachte aan een mogelijkheid die we zelf in de verste verte niet zouden bedenken en kunnen bewerken.


22 februari 2024 – Bij het Bijbelleesrooster, Jeremia 17:19-27

‘... en vier de sabbat als heilige dag zoals ik jullie voorouders geboden heb.’

Als Heschel zoekt naar de unieke uitdrukking van de geest van het jodendom komt hij uit bij de sabbat. De zevende dag waarop God rustte van zijn scheppingswerk. Die dag, die heilige dag, is voor hem een herinnering aan de koninklijke waardigheid van elk mens. ‘De afschaffing van het onderscheid tussen meester en slaaf, rijk en arm, succes en mislukking. Wie de sabbat viert, ervaart zijn uiteindelijke onafhankelijkheid van beschaving en maatschappij, van prestatie en mislukking. (…) De grootste zonde van de mens is te vergeten dat hij een vorst is.’

Prachtig hoe Heschel hier in een paar zinnen de vloer aanveegt met onze burgerlijke onderbouwingen van vrijheid en geluk. Dit gaat ook uit boven het vrijheidsideaal van de verlichting, vrijheid bestaat slechts als een afgeleide van het vieren van de sabbat, het symbool voor de overwinning van goden- en burgerdom. Zo is de sabbat ook de tegenspraak van alle ideologieën, die altijd het leven en de vrijheid vastleggen in ordes en regels, in regelmatigheden en noodzakelijkheden.

Niet zo vreemd dat juist het vieren van de sabbat een kernpunt, een lakmoesproef, is in de profetie van Jeremia. Ik zeg het nog een keer met woorden van Heschel. ‘De sabbat is een verzekering dat de geest groter is dan het universum, dat voorbij het goede het heilige is.’ Alles, de hemel en de aarde, ik en jij, de dingen en de gedachten, heeft alleen waarheid en waarde in het licht van de eeuwigheid.


20 februari 2024 – Bij het Bijbelleesrooster, Psalm 116

‘Ik bleef vertrouwen, ook al zei ik:
‘Ik ben diep ongelukkig.’’

Muus Jacobse heeft de psalm berijmd. Met een zin die blijft hangen, fijn om te zingen: ‘en levenslang ben ik niet eenzaam meer’. Wel met het risico dat de psalm een succes verhaal wordt. Niet meer eenzaam, niet meer benauwd, niet meer machteloos en bedreigd. Ik had veel problemen, maar God heeft ze allemaal opgelost. Omdat ik bleef vertrouwen.

Je kunt de psalm ook anders lezen. Als een uiting van verwondering van een mens die naar zichzelf kijkt. Wat is er niet gebeurd in mijn leven, wat heb ik niet moeten ondergaan en geleden, wat waren er een dwaal- en struikelwegen. Diep ongelukkig, als dood leefde ik. Maar er bleef vertrouwen in mij, een roepen, een opzien, een weten van een ander leven. Niet omdat ik zo volhardend was, maar tot mijn verwondering.

Lees zo vanaf dat tiende vers de psalm eens terug, zie wat dat vertrouwen in een leven doet, ongelukkig of niet. Ik zonk niet weg in mijn ongeluk, ik liep niet dood op mijn dwaal- en struikelwegen, op de een of andere manier wandelde ik in het land van de levenden onder het oog van de Heer. Levenslang niet eenzaam meer, dat is niet het optimisme van de mens die de oplossing van al zijn vragen gevonden heeft, het is het weten en kennen van de stem in je hart.


17 februari 2024 – Bij het Bijbelleesrooster, Psalm 130

‘… mijn ziel verlangt naar de Heer’

Soms is het niet meer dan een zucht of zelfs niet meer dan een gevoel van onbehagen. ‘Uit de diepte roep ik tot u’, en direct daarna de vraag om aandacht, om goed te luisteren, want anders wordt de stem die roept misschien niet eens gehoord. Bij de diepte kun je al het zwart van de wereld noemen, je kunt ook denken aan de dagelijkse vermoeidheid, aan de moedeloosheid, de afstomping. Een dag waar je je doorheen sleept. Geen glans, geen kleur, geen vreugde, geen zin, geen dank.

Geestelijk, zegt Heschel, betekent de verwijzing naar het overstijgende in ons eigen bestaan, de richting van het Hier naar het Ginds. Over die richting gaat het in deze psalm. In eerste instantie is er nauwelijks beweging, maar in de roepende zucht ligt het besef van het Ginds. Waar alles niet is zoals het is, waar alles niet blijft zoals het blijft, waar alles niet een gevolg van het verleden is.

Waar dat besef doorbreekt is er ook ruimte voor de grotere woorden, woorden die spreken van uitzien en verlangen. De roep uit de diepte is het zingen van de ziel, de openheid voor de genade en de bevrijding. ‘Mijn ziel verlangt naar de Heer’, het is de gelovige omschrijving van de mens. De mens die zich opgesloten voelt, die zich gebonden voelt, die blij is dat de dag voorbij is. De genade is dat in die mens het verlangen aan het licht komt, dat hij op de weg gezet wordt van het Hier naar het Ginds. En er dan weer is.


14 februari 2024 – Bij het Bijbelleesrooster, Jeremia 14:1-10

‘Bron van hoop voor Israël,
redder in tijden van nood,
waarom bent U als een vreemdeling in dit land,
als een reiziger die maar één nacht blijft?’

Grote droogte, mens en dier weet niet meer waarheen, de aarde voedt niet meer. En de mens wendt zich tot God, doet een beroep op de relatie tussen de Heer en dit volk. Maar God geeft niet thuis, wordt ervaren als een vreemdeling, een voorbijgaande reiziger. En de Heer zelf wordt sprekend opgevoerd: ‘Ik heb geen behagen meer in hen’.

Een God die er geen zin meer in heeft, geen zin om te helpen, te redden, te voeden en te drenken. Gaat het hier nog over de God van Israël, de God van Abraham, Isaak en Jacob? Nee, als het hier om het beeld van God als Lückenbüsser gaat. Zo noemde Bonhoeffer de god die de gaten mag opvullen. Die maar op moet lossen wat wij niet meer op kunnen lossen. Een god die je altijd achter de hand hebt voor als je het niet meer weet. Dat automatisme wordt hier weersproken.

Toch gaat het hier ook over de Heer, de God van de Bijbel. Daar zit de ruimte van deze profetie, het is de ruimte van de Thora, de ruimte van het ‘volg mij’ in het verhaal van gisteren. Ook in de droogte, in de chaos, tussen de puinhopen, in een bedreigde wereld kun je om gerechtigheid roepen. Als echo van de roep om gerechtigheid die tot ons komt, ‘volg mij’, het is een stap uit het slachtofferschap dat alleen maar kan hopen op een helpende hand uit de hemel, op een god die het voor je fikst.


13 februari 2024 – Bij het Bijbelleesrooster, Marcus 2:13-22

‘Volg mij’

Compacter kun je het niet zeggen. De reden van zijn hele verhaal, de bedoeling van de komst van Jezus, de manier waarop we aangesproken worden, het nieuwe leven dat ons aangeboden wordt, de overwinning van ons verleden, het losgemaakt worden van ons ego. Marcus hoort het in deze twee woorden. In alle simpelheid heeft het iets humoristisch. Jezus die langs het tolhuis komt, daar een tollenaar ziet zitten, en dan dit zegt. Een filmisch beeld, maar moeilijk een film van te maken.

Voor een film is er drama nodig. Willen we zien hoe vast die mens zit in zijn positie, misschien vol verwijt aan zichzelf, omdat hij zich hierin gemanoeuvreerd heeft. Willen we zijn eenzaamheid ziet, zijn pijn om de breuk met zijn familie en volksgenoten. Willen we zien hoe hij losgescheurd wordt uit zijn verhaal, hoe de geesten van schuld en verwijt beteugeld worden. Marcus besteedt er geen woord aan, ik denk geheel in de geest van Jezus. Deze man heeft een nieuw zicht, een nieuwe weg nodig en die krijgt hij. ‘Volg mij.’

In zijn simpelheid heeft het een ongekende grootsheid. Het is een woord dat je leven omwentelt. Dat dit kan, dat dit kan in de ontmoeting met Jezus, dat wil Marcus ons in zijn schrijven voorhouden. Die ontmoeting leidt je uit, uit je tol- en diensthuis, uit je eenzaamheid en doodsangst, uit je schaamte en zelfverwijt. ‘Volg mij’, nieuw zicht, nieuwe weg, het zicht van het Koninkrijk, de weg van Jezus. En die woorden kun je zomaar horen, daarvoor hoef je niet tweeduizend jaar geleden voor een tolhuis te zitten. De woorden van Marcus, het licht van de dag, het ogenblik van nu, ‘volg mij’.


12 februari 2024 – Bij het Bijbelleesrooster, Marcus 2:1-12

‘Zoiets hebben we nog nooit gezien’

Gisteren ging ik voor in een dienst waarin iemand een gedicht las over de schepping als Gods fantasie. Ik vond dat een mooi gezichtspunt, omdat het aangeeft dat de schepping iets nieuws is, onherleidbaar tot iets eerders. God heeft niet een bak lego voor zich waar hij iets mee kon maken, de schepping is de overwinning van ‘woest en ledig’. Na de dienst kwam in een gesprek naar voren dat sommige (of veel) mensen zeggen dat alles in de Bijbel fantasie is en dat moeten we natuurlijk niet onweersproken laten.

Daar hoor ik dan weer een hang naar waarheid en zekerheid in die niet eigen is aan de bijbel. Het gaat voortdurend om het onverwachte en ongedachte, het onherleidbare, dat niet te controleren is. Juist dat wil Marcus ons vertellen, in zijn evangelie dat begint met: ‘Begin van het evangelie van Jezus Christus’. Draai het maar om, evangelie, het goede nieuws, is begin. Om de omslag gaat het, een omslag die niet te herleiden en niet te bedenken is.

Dan kom je als snel bij woorden als fantasie, verbeelding, droom, visioen. Ook die dekken de lading van het evangelie niet helemaal, maar ze richten onze oren. In dezelfde dienst zagen we een filmpje van mensen in Colombia die zich weigeren neer te leggen bij de status quo van misdaad, dood en geweld. Ze praten over verandering van binnenuit, ‘we geloven dat het kan’. Een fantasie, een verbeelding, een nieuwe werkelijkheid, ingegeven door verhalen als dit van Marcus. Nooit gezien, nooit gedacht, nooit kunnen denken en toch is het er.


6 februari 2024 – Levend water

Telkens wanneer je mij
met je ogen aanraakt,
word ik licht
en doorzichtig als
een regendruppel
in de palm van je hand.

Zie, levend water
heb je mij gemaakt.
Nog aarzelen je lippen,
maar eens
zul je mij drinken.

Een gedicht van Hanny Michaelis, het laatste uit haar bundel ‘Water uit de rots’ uit 1957. Veel gedichten over gebroken relatie en afwezigheid van relatie. Tenslotte dan dit intieme gedicht. Een gedicht over liefde, in mijn oren in bijbelse termen. Zondag zongen we nog ‘De Heer heeft mij gezien en onverwacht / ben ik opnieuw geboren en getogen.’ Als er tussen mensen gebeurt wat in het gedicht beschreven wordt ervaren we dat vaak als van hoger orde.

In ieder geval als iets van buiten de dagelijkse orde. Er zijn veel ogen die we niet willen, maar die er wel zijn. Dwingende ogen, eisende ogen, grensoverschrijdende ogen, bedreigende ogen, verwijtende ogen. Voor die aanraking willen we ons het liefst beschermen, die aanraking proberen we te ontwijken, desnoods negeren we die. Maar dit is er ook, een gezien worden dat licht en doorzichtig maakt, dat mij licht en doorzichtig maakt.

Mooi is de wederkerigheid in het gedicht. Van Jezus, aan wie ik ook denk bij dit gedicht, vertellen we dat hij ons ziet, ons levend maakt. Ook dat hij het levend water is dat wij te drinken krijgen. Dat beeld wordt hier toegepast op de ontvanger van de liefde, ‘eens / zul je mij drinken.’ Dat is de wederkerigheid van de liefde, waarin de rollen van gever en ontvanger wisselen en uiteindelijk in elkaar over lopen. De grens wordt niet overschreden, maar opgeheven.


31 januari 2024 – Bij het Bijbelleesrooster, Psalm 18:1-25

‘Ik heb U lief, HEER, mijn sterkte’

Zo persoonlijk begint deze psalm, die al gauw overgaat in een beschrijving van geweld en chaos, een wereld die zicht verslikt en naar adem hapt. Alsof je Europa ziet in 1944, waar in het oosten de ovens van de vernietigingskampen brandden en in het westen vele jonge mensen op de stranden hun einde tegemoet liepen. Of de gewelddadigheid in Oekraïne, of de hel in Gaza. Het gaat hier duidelijk om meer dan de persoonlijke redding van een enkeling, hoewel er wel de innigheid is van de band met de Heer.

Het lied wordt toegeschreven aan een koning, aan koning David, het symbool van het koningschap in Israël. En daarmee wordt het een psalm van recht en bevrijding. Van waarheid en hoop voor een bedreigde wereld. Juist dan is het veelzeggend dat het lied ook zo persoonlijk is. Deze koning is in zijn band, in zijn ‘ik heb u lief’, de aanwezigheid van de Heer, en daarmee van een ander geweld dan het geweld waarmee de wereld haar einde tegemoet gaat.

We zagen een film over een vrouw die in de jaren ‘40 van de vorige eeuw geheime documenten over de ontwikkeling van de atoombom vanuit het Westen doorstuurde naar de Russen. Op hoge leeftijd werd ze daarover ondervraagd, ze verklaarde, in de film althans, dat dankzij haar daad er in vijftig jaar geen bom gebruikt was, wederzijdse afschrikking. Deze psalm lost mijn vragen over geweld en tegengeweld in de wereld niet op. Hij zet ze wel in het perspectief van een koning die in alle geweld, dat ook hem persoonlijk bevrijdt, spreek van de Heer als zijn sterkte. Dat houdt een grens in en een norm.


28 januari 2024 – Bij het Bijbelleesrooster, Psalm 111

‘Halleluja!
Ik wil de HEER loven met heel mijn hart
in de grote kring van oprechten.’

Misschien is het wel een voorstadium van de synagoge, zegt Kees Waaijman, die kring van oprechten. Veel vertalingen noemen hier iets als de vergadering, de samenkomst, de gemeente. In ieder geval zijn het de mensen die zich verhouden met de Heer, in de Bijbel gaat het nooit over de perfecte mens, maar om de horende, de gehoorzame. Oprecht betekent dat je je leven verbindt met de woorden van oprechtheid, met de Thora, met de weg van Jezus.

Dat is nooit in enkelvoud te vinden. Ons individualisme bestaat niet in de Bijbel. Dat houdt geen waardeoordeel in over dat dat individualisme, de grens in de Bijbel ligt bij het al of niet in relatie met de Heer leven. Dat kun je ook als collectief weigeren. Belangrijker dan wel of geen individualisme is dat je ziet dat je niet in je eentje mens kunt zijn. Niet de mens die zich beweegt op de paden van de Heer en daarvan zingt. De Heer loven is per definitie de lof van de relatie en dat doe je dus in de kring.

Je kunt zelfs zeggen dat je dat pas kunt in de kring, in de gemeente, dat je het daar en daarvan leert. Loven is meeloven, zingen is meezingen. Dit is geen oproep om je zo snel mogelijk bij een kerkelijke gemeente aan te sluiten, het is wel de uiting van het besef dat je zonder anderen niet zou bestaan en niet kunt bestaan als gelovige. ‘De laatste mens bestaat niet’, zei de, toch redelijk individualistische, Harry Mulisch. Hij bedoelde dat je alleen mens kunt zijn in relatie, voor de oprechte, de gelovige, de lovende mens geldt dat in het kwadraat.


23 januari 2024 – Bij het Bijbelleesrooster, 1 Samuel 4:12-22

‘Op het moment dat de man de ark van God noemde, viel Eli van het bankje naast de stadspoort achterover op de grond.’

De eerste vesper van de Stille Week bijgewoond, met de woorden van Psalm 23 en de klanken van de pastorale symfonie van Beethoven nog in mijn hoofd reed ik naar huis. ‘Groen is het land’, uit de radio kwam het bericht dat de Notre Dame in brand stond, 15 april 2019. Eén van de grote christelijke en culturele symbolen van Europa dreigde totaal verloren te gaan. Over de oorzaak van de brand zijn ontluisterende verhalen te lezen van bezuinigen en afschuiven.

Het verlies van de ark, het heilige symbool van God aanwezigheid in de tempel, heeft eerder te maken met overwaardering. Ingezet als laatste redmiddel tegen de overmacht van de Filistijnen. Een wanhoopsdaad, het is niet eens duidelijk of Eli het afkeurde, maar het bericht van het verlies kost hem zijn leven, net zo bij zijn schoondochter. De heilige kist in Israël, het heilige gewelf in Parijs, het verlies is schokkend.

Wat is er verloren? ‘De eer is weg’, zegt de schoondochter van Eli op haar sterfbed. De heerlijkheid, de glorie, het gewicht. Het is wat Israël tot Israël maakt, de lichtende aanwezigheid van de God die geen god is, van een gerechtigheid uit de hemel, van een menselijkheid gegeven. De Notre Dame is bijna weer in oude glorie, mooier, glanzender, heerlijker, dan onze generaties haar ooit gezien hebben. De ark is nog wel terug van weggeweest, maar later voorgoed verdwenen. De heerlijkheid waar hij naar verwees is niet van kist of gewelf afhankelijk, uiteindelijk verwijzen ze naar de mens geboren uit Notre Dame, in as en stof en in glorie.


21 januari 2024 – Bij het Bijbelleesrooster, Marcus 1:14-20

‘… kom tot inkeer ...’

Bekering was een groot thema in het geloof van mijn kinderjaren. Jarenlang, ik denk de eerste helft van mijn tienerjaren, heb ik gedacht dat het daar om draaide in alles wat ik in de kerk hoorde. Een complicerende factor was dat het net zo vaak om ‘bekeerd worden’ ging dan om ‘jezelf bekeren’. En het een kwam echt niet in mindering op het ander. Intussen was het me volstrekt onduidelijk wat er van me gevraagd werd. Ik had wel door dat het niet om het nalaten van een paar zonden ging, maar om een nieuw en ander leven.

Dat getob van die jongen, voortdurend vervuld van goede voornemens die onuitvoerbaar en ontoereikend waren, kan me nog kwaad maken. Het zal wel één van de wortels zijn van mijn verzet tegen moralisme, maar ik herken ook nog altijd de onrust van: vanaf nu ga ik het allemaal anders doen. Bij Zijnsoriëntatie hoorde ik het bevrijdende ‘einde project Jan’, van Kierkegaard hoorde ik de relativerende opmerking dat je een goed voornemen voor morgen, dat je vandaag nog maar niet uitvoert, maar beter kunt vergeten. Maar de onrust raak je daardoor niet kwijt.

Marcus is die onrust voorbij. Hij is overrompeld door woord en leven van Jezus, door het goede nieuws. En in hoog tempo doet hij daar verslag van, daar moeten wij van weten. Na de woorden over inkeer, bekering, vertelt hij over de vissers die zomaar overstag gaan. Bekering is hier meegaan, volgen. En dat is het einde van het prutserige gedoe om iets van je leven te maken, het is het einde van de uitgestelde goede voornemens. Niet omdat dat gepruts en die voornemens minderwaardig zijn, daar ligt de focus niet. Wat er gebeurt gebeurt omdat het koninkrijk van God nabij is, de zon gaat op, en dat wordt geloofd en gezien en geleefd. En passant laten we de netten, de reparaties en onze afkomst achter.


19 januari 2024 -- Nood van de kerk

‘Elke zekerheid buiten die in God zelf is een onmogelijkheid. Elk weten buiten Gods eigen weten en ons niet-weten is onzeker. Buiten het getuigenis dat hijzelf -als de onbekende- in Christus voor ons aflegt, is God zelf onbekend. Dat is de nood van de kerk.’

De laatste zinnen van de beschouwing van Romeinen 9 door Karl Barth onder de titel ‘De nood van de kerk’. We denken aan de nood van de kerk vaak aan de leegloop, het dreigende voorbijgaan van de kerk. Of aan de moeite om vandaag de dag de juiste woorden te vinden om de relevantie van het evangelie te laten ervaren. Barth gaat, zoals meestal, de diepte in, en raakt de wortel van de nood van de kerk.

De nood van de kerk, van de gemeenschap die zich vormt rond Jezus Christus, is het hachelijke van haar bestaan. Een bestaan dat voorbijgaat zo gauw dat vaste vormen krijgt, zo gauw we als gemeenschap iets denken te hebben en te weten dat anderen niet hebben. Een mandje met waarheden waaruit we kunnen putten en de buitenwereld iets van mee kunnen geven. Dat we meer van God weten dat wie dan ook. Een onmogelijkheid noemt Barth het, onzeker, het is je begeven op de rand van de afgrond, zegt hij iets eerder.

De kerk bestaat alleen in het geloof, in het horen van het getuigenis van Jezus, in de eerbied, in het volgen, in de gehoorzaamheid. Alle spreken over God, alle spreken over het juiste leven, alle spreken over nieuwe hemel en nieuwe aarde, heeft alleen zin en waarde en waarheid als het gerelateerd is aan Jezus Christus, als het opkomt uit de ontmoeting met deze mens, deze zoon des mensen en zoon van God. Dat snijdt behoorlijk in onze tevredenheid en in onze zorg om de kerk, het opent ook de weg om elke dag opnieuw deze gemeenschap te leven.


14 januari 2024 -- Hoogmoed

Naar aanleiding van een reactie op mijn vorige stukje nog eens nagedacht over hoogmoed. Uit het Griekse denken kennen we de hybris, het overgaan van de grens tussen mens en goden. In het Oude Testament zien we de poging in de torenbouw van Babel. Als God willen zijn, en dat betekent dat je je los maakt van God. Dat je ontkent dat je leeft in de relatie, bijbels gezegd in het verbond, dat je genoeg aan je zelf hebt.

Mens zijn op jezelf, denken dat je het licht bent, zonder de relatie met het licht te erkennen. Dat je het als gelovig mens wel redt met de wet, om jezelf te vormen tot goed mens, zonder de wet als zegen te zien. Het is het geloof van de vrije markt, het adagium van de negentiendeeeuwse burger, dat voortdurend de kop opsteekt in een onbeperkt vertrouwen in wetenschap en eigen kunnen, maar ook in een wantrouwen tegen elk gezag.

In de Bijbel wordt die hoogmoed doorbroken, overboden zou je kunnen zeggen, door de boodschap dat we al op God lijken, kind van God zijn zelfs. In feite is er geen grens die overschreden kan worden, laat dat verhaal maar over aan de Griekse mythologie. Erken dat je leeft in relatie en van relatie, van liefde en genade, en je leeft in vrede met jezelf, met de ander, met hemel en aarde. Die vrede is een tevredenheid die niets te maken heeft met zelfgenoegzaamheid. En de vertaling van NBV21 van de woorden van 11 januari (‘wees niet hoogmoedig, maar zet uzelf aan tot nederigheid’) is nodeloos moraliserend. Het gaat om het dragen van de kroon van genade, van ontvangen.


11 januari 2024 – Bij het Bijbelleesrooster, Romeinen 12:9-21

‘Staat niet naar de hoge dingen, maar voegt u tot de nederige.’

Zo, in de woorden van de Statenvertaling, klinkt dit woord van Paulus het meest dwars. Dwars op de gangbare opvatting dat het in de godsdienst om het hogere gaat. Je richten op de hemel, op hoge idealen, op heilige teksten, op diepzinnige rituelen, op een ontheven levenshouding, op bijzondere talenten en openbaringen. Doe dat maar niet, zegt hij, en suggereert gelijk dat dat de eensgezindheid, de gezamenlijke gerichtheid op het ene, op de Ene, tekort doet.

Ik denk niet dat het hier om een eigenschap als nederigheid tegenover hoogmoed gaat. Hoogmoed is uiteraard nooit in de lijn van de zegen, maar je hoeft niet nederig te zijn om het nederige, het kleine, het onaanzienlijke te zien. Misschien nog beter gezegd: om het verlorene, het kansloze, te zien, in de wereld om je heen en in jezelf. Door dat te doen ben je en blijf je op het toneel van het evangelie. Daar, beneden, op de bodem, daar gebeurt het, daar schijnt het licht, daar wordt er naar je omgezien, daar is het begin van het nieuwe.

De hoge dingen zijn er, volop, de kunst, de cultuur, de wetenschap, de hoge ethiek onder de mensen. Maar verlaat je er niet op, zegt de apostel hier, en de hooggeplaatsten zijn hier gelijk in meegenomen. ‘Vest op prinsen geen betrouwen’ zongen we. Terecht of niet terecht, maar weet dat het nieuwe, het bevrijdende, de kracht van de opstanding, daar is waar niets is, in de verlorenheid.


10 januari 2024 – Bij het Bijbelleesrooster, Romeinen 12:1-8

‘… vraag ik u ...’

Na alle aanbod, evangelie, genade, vrijheid, geest, vrede, troost, nu ineens de vraag. De vraag om een leefwijze, de ethiek komt om de hoek kijken. Na alles wat je ontvangen hebt, mag je ook wel eens iets terug doen. Maar dat is verre van wat Paulus bedoelt, daarom heb ik mijn vragen bij deze vraag.

‘Vraag ik u’ is te zwak uitgedrukt voor wat Paulus hier doet. Het gaat om een dringend vragen, een bidden misschien wel zoals de Statenvertaling zegt, andere vertalingen zeggen vermanen. Het gaat niet om een verzoek van Paulus waar je eens over na kunt denken, het gaat hem om het wijzen van de enige weg, de weg die voortkomt uit wat hij in zijn vorige hoofdstukken heeft betoogd, hij stelt de vraag ‘met een beroep op Gods barmhartigheid’. Een andere leefwijze is niet zijn idee, niet ons idee, niet de ingeving van ons geweten, maar komt voort uit de bron van de genade.

‘Vraag ik u’ is te sterk voor wat Paulus hier wil. Er valt niets te vragen, niets te vermanen, niets af te smeken. Wie gegrepen is door de genade, door Jezus zelf, die mens heeft een ander leven en die mens leeft anders. Die mens weet dat er maar één weg is, één leven, en dat is de weg van de barmhartigheid Gods. Het is geen kwestie van concreet maken wat eerst abstract gezegd is, het is het zien van het leven voor jou en de wereld in die woorden en gedachten die je abstract zou kunnen noemen, maar het allerminst zijn. In het doen is het leven dat je geschonken is. Daar wijst Paulus hier op.


7 januari 2024 – Bij het Bijbelleesrooster, Marcus 1:1-13

‘Het begin van het evangelie van Jezus Christus, Zoon van God.’

Pats boem, gewoon beginnen, geen tijd voor pepermunten. Zo gaat het meestal in mijn overdenkingen in kerkdiensten. En dat is niet alleen persoonlijke voorkeur, maar ook diepe overtuiging. Het evangelie heeft geen inleiding nodig, sterker nog: wat zou dat moeten zijn? Een verhaal over de natuur, of over de taal, of over onze gemoedstoestand, of over de situatie van de dag? Waar het evangelie dan mooi op aansluit? Zodat we bijna ongemerkt de blijde boodschap van Jezus in glijden?

Marcus weet het beter en doet het beter. In zekere zin is het niet begin dat ik voorsta, dan zou hij deze zin ook weglaten, maar het is goed dat hij het even zegt. En het klinkt als een paukenslag, een trompetsignaal. Hier begint het, daar waar het verhaal van Jezus verteld wordt. Niet bij jullie verhalen, verzinsels en idealen, niet bij jullie godenfantasieën of andere gedachtesystemen. Het begint zoals de Bijbel begint met de schepping, bij de stem die klinkt, bij de Geest die boven de wateren zweeft.

Bij het voorbereiden van een overdenking denk ik vaak het langst na over het begin. Inspiratie vind ik in de muziek, zoals een muziekstuk begint wil ik beginnen. Ik beluister vlak voor de dienst vaak Beethoven, de grote werken, vanwege het begin. Pats boem, luisteren, luisteren, luisteren, een andere toegang is er niet. Het is je kans om direct in een andere wereld te zijn, in de wereld van het licht, de vrede en de vrijheid. Ik weet niet hoe lang Marcus over zijn eerste zin heeft nagedacht, maar meesterlijk is hij. Geen enkele concessie aan onze behoefte aan een opstapje, en zijn ‘Zoon van God’, versterkt het nog eens: het gaat hier over het begin, de oorsprong van Jezus, van jou, van alles. Kind van het licht ben jij.


5 januari 2024 – Bij het Bijbelleesrooster, Jesaja 60:1-9

‘Duisternis bedekt de aarde
en donkerte de naties,
maar over jou schijnt de HEER,
zijn luister is boven jou zichtbaar.’

Gisteren schreef ik over mijn somberheid, vandaag krijg ik dit antwoord. Ik betrek de woorden voor Jeruzalem op mezelf, zo lees ik de Bijbel. Het gaat om een universele waarheid die allen betreft. Het gaat ook over een universele waarheid over de wereld rondom. Duisternis en donkerte, voor de aarde en allen die daarop leven. En als mens op die aarde, tussen die volken klinkt deze aanspraak. Je leeft in het licht, in het licht van de hemel.

Het is niet voor dat ene uitverkoren volk, voor die ene heilige stad, voor die ene enkeling die er uitgepikt is. Het is voor mij, het is voor jou, als lezer, als luisteraar, als mens in het bereik van de Geest van God. Ik zou in de deze dagen iedere Nederlander toe willen roepen te zien en te beseffen in welke bevoorrechte positie we ons bevinden. Welvaart, vrede, vrijheid, recht, kans. Maar hier worden we toegeroepen te weten van ons bestaan, te zien waaraan we ontstaan. Te zien wat onze diepste aard is.

Het antwoord op mijn somberheid is: ‘Sta op en schitter’. Schitter in je woede om het verpatsen van recht en vrijheid, schitter in je dankbaarheid voor de slag van je hart, schitter in de kracht van je geest, schitter in de ontroering om wat je toevalt, schitter in het genot van wat je ontvangt, schitter in de gloed van de liefde die in je huist. Dan gaat het niet om de gave die ik ontvang, om het verzachten van mijn somberheid, maar dan ben ik de gave, waarin de luister, de majesteit, van de Heer zichtbaar wordt, het licht voor de wereld.


4 januari 2024 – Bij het Bijbelleesrooster, Psalm 72

‘Geef, o God, uw wetten aan de koning,
uw gerechtigheid aan de koningszoon.’

Over een koning die het niet weet, over een koning die het niet kan. Hij weet niet wat recht is, hij weet niet hoe hij recht moet doen. Zo word je in deze wereld geen leider, door te beginnen met de vraag wat je moet doen en hoe je het moet doen. De leider heeft een programma, heeft overtuigingen, een plan van aanpak. Hij of zij of belooft het volk dat het goed komt onder onder zijn of haar leiding. Niet weten is zwakte.

‘De wet is een antwoord aan hen die weten dat het leven een probleem is’. Dat schrijft Heschel en hij heeft het dan over de wet en de wetten van de Heer, de mitswot. Om deze wetten vraagt deze koning, je kunt ook vertalen dat hij vraagt om te kunnen recht doen. Dat zit dicht bij elkaar in de Bijbel, weten en doen, het licht zien en het licht leven. Het probleem van ons en van deze koning is dat we het niet zien en het niet kunnen leven. Vanuit dat duister stelt deze koning zijn vraag.

Allerlei ontwikkelingen en gebeurtenissen in onze tijd maken me vaak somber. Van wie moet de wending komen, vraag ik me dan af. Een koning als in deze psalm zie ik niet. Toch laat ik me leiden door de overtuiging van deze koning dat de heilzame weg niet opkomt uit ons geweten of uit de wereldgeschiedenis, maar geleerd en ontvangen wordt in de woorden van de wet. Zo bid ik regelmatig in kerkdiensten voor de leiders van onze tijd, dat ze geraakt zullen worden door het verhaal van Israël en de volken, door het leven en de geest van Jezus Christus. En nog meer om geïnspireerde enkelingen die dat hun overheid voorspiegelen.


2 januari 2024 -- Stralen

‘Stralend wacht de koningsdochter’

Ik kom nog even terug op Psalm 45 waarover mijn vorige stukje ging. Het stralen van de koningsdochter blijft me bij. Nu hoort stralen uiteraard bij een bruid, maar het gaat hier om meer dan huwelijksromantiek. Het woord -‘kabod’- dat hier staat wordt meestal gebruikt om de heerlijkheid van de Eeuwige aan te geven. Zijn gewicht, zijn majesteit, zijn luister. Deze prinses is in haar wachten al in de sfeer van wat de koning, de bruidegom, vertegenwoordigt.

In de Zijnsoriëntatie, waar ik meerdere trainingen en leergangen volgde, is een slogan: ‘Niet halen, maar stralen’. Het gaat om rijkdombewustzijn tegenover armoedebewustzijn. Om weten van volheid en overvloed tegenover de gedachte van een tekort en leegte. Om het ja van de genade tegenover het nee van het oordeel, zou ik in bijbelse termen zeggen. Zo staat de dochter van Tyrus te wachten, gekwalificeerd door het nieuwe dat op haar afkomt, dat is haar straling.

Psalm 45 is vaak gelezen als de ontmoeting van Christus en de gemeente of de gelovige, ik vind dat mooi. Je kunt geloven als wachten benoemen, maar weet dat de beslissing gevallen is. Dat wachten is niet het wachten van het muurbloempje, ‘och mocht het nog eens’, het is het wachten van deze prinses, stralend, in het licht van de Koning, de redder, de aanwezige. Misschien zijn we ons in ons wachten niet altijd bewust van de rijkdom daarin, laten we ons daaraan laten herinneren door deze bruid.


31 december 2023 – Bij het Bijbelleesrooster, Psalm 45

‘Mijn hart, vervuld met heilbespiegelingen,
Zal ‘t schoonste lied van ene Koning zingen’

Een psalm van een dichter, een psalm voor dichters. Ga vooral bij hen te rade om deze psalm wat dichterbij te krijgen. Het gaat over een koningshuwelijk, over de ontmoeting van bruidegom en bruid. De bruidegom is de koning, de koning getekend in de volheid van het koningschap in Israël, de messiaanse koning, de koning als de aanwezigheid van God op aarde. Zijn koningschap betekent nieuwe hemel, nieuwe aarde. De bruid is een prinses uit de volken, dochter van Tyrus, stralend wacht zij, in heerlijkheid, al in de straling van de zegen.

Heilbespiegelingen, zegt de onbekende dichter van de Oude Berijming. Het is meer dan een verslag van een sprookjesachtig huwelijk, het gaat daarin om het heil, om de zegen. Het is een koning met genade op de lippen en gerechtigheid aan zijn zwaard. En dat heil blijft niet beperkt tot een onbeduidend koninkrijkje, maar de volkeren komen toe, in de gestalte van die ene dochter van Tyrus. Haar vergeten van haar volk en vaderland is gerichtheid op de zegen die deze koning vertegenwoordigt.

Meezingen met deze dichter betekent meedoen, je plaats innemen in dit verhaal, dit messiaanse verhaal. Levend in een wereld waarin dit koningschap gruwelijk geschonden en weersproken wordt, die ene zijn die toekomt, die buigt, die achter zich wil laten. Ik citeer een andere dichter, wiens naam ik wel ken, Huub Oosterhuis. Hij zingt in zijn weergave van deze psalm:

Deze toevallige ene
ben je, deze geroepene
die zal doen wat hij kan.

In een verloren wereld
in een wereld-te-winnen

vreemd tussen vreemdelingen
thuisloos met de ontheemden

toegerust met een woord
dat de machten weerstaan zal.


28 december 2023 – Bij het Bijbelleesrooster, Openbaring 21:9-27

‘… en het lam is haar licht.’

Spiritueel materialisme, de term is van Chögyam Trungpa, geestelijk leider in de traditie van het Tibetaans boeddhisme. Onze neiging om alles naar ons toe te trekken, in te zetten voor ons voordeel, ons geluk, ons genot. Ook alle gegevenheden van religie en spiritualiteit, we maken ze tot bruikbare dingen, materie waarmee we ons leven en onze persoonlijkheid aankleden. Hij schreef een boek over het doorsnijden van dit spiritueel materialisme.

Ik ken geen tekst in de Bijbel waarin dat doorsnijden zo ver gaat dan in deze woorden van de ziener Johannes. Zelfs het kroonjuweel van het Oude Testament, de tempel, wordt opgegeven, opgeheven in de aanwezigheid van de Almachtige. En de onttovering van zon en maan in het scheppingsverhaal van Genesis vindt zijn voltooiing, niet meer nodig. En over de glans van de nieuwe stad merkt Miskotte terecht op: ‘een wereld van dingen, die niets doen dan bestaan en glanzen, hoewel ze geen ogenblik zelfstandig, maar, al staande, bestaan uit de glans der eeuwige schoonheid.’

Die glans is het licht van het lam, Jezus Christus, in zijn verschijning aan ons. In zijn licht bestaan we. Bestaan we zonder zelfstandig bestaan, als mensen in het licht geroepen, als mensen levend van genade, als mensen in een voortdurend geschapen worden, in het horen van de roep, in het zien van het licht. ‘Geen been om op te staan, alleen de liefde’, dichtte Hans Andreus. Dat komt aan het licht en dat kan geleefd worden in het licht van het lam. Zo gaat het in dit visioen over het leven, het enige leven dat leeft en geleefd kan worden. Weggeleid uit het slavenhuis van verwachtingen en behoeften.


27 december 2023 – Bij het Bijbelleesrooster, Openbaring 21:1-8

‘Gods woonplaats is onder de mensen, Hij zal bij hen wonen. Zij zullen zijn volken zijn en God zelf zal als hun God bij hen zijn.’

Eindelijk verlost van dat eeuwige gefilosofeer over God, wie, wat, waar. Johannes ziet hier waar worden waar het hele Oude Testament om draait. Er is geen god waar je je op beroepen kunt, er is geen god die je aan kunt grijpen als je houvast, er is geen god als een instantie buitenaf waarmee je van alles en nog wat kunt sanctioneren. Afgoderij heet dat daar, helaas hebben we er in onze wereld geen duidelijk woord meer voor.

Zeker op deze derde kerstdag denken we aan Jezus, aan zijn aanwezigheid, zijn heden. Hij was er, met ons, met de mensen, zijn volken zijn wij. Daar hoeft geen bruggetje geslagen te worden door antwoord te geven op de vraag ‘wie, wat, waar is God?’. Hij woont onder de mensen, de mensen die niet los van God te denken zijn. Daarom gaat het hier over mens zijn, in alle volheid en heerlijkheid, in alle helderheid, de tranen gewist, het verleden krachteloos gemaakt.

‘Hij is het leven van hun leven en de kracht van hun kracht en de schoonheid van hun schoonheid, de heerlijkheid van hun heerlijkheid. Hij is hun lot, hun heden.’ Dat zegt Miskotte over God en zijn volken. De nieuwe hemel en de nieuwe aarde, daar is het altijd heden, daar krijgt het heden alle gewicht, daarin zijn we er, dankend, lovend, levend. Daar is geen enkele ideologie voor nodig (misschien is dat het hedendaagse woord voor afgoderij), geen enkel godsbewijs of godsgeloof, daar is geen schuld en geen angst. Alle dingen nieuw, elk moment.


21 december 2023 -- Daden

‘De daad is de test, de proef en de kans.’

‘Geheiligde daden, mitswot, imiteren niet alleen: ze vertegenwoordigen het goddelijke.’

Het hoofdstuk ‘Een vaardigheid van daden’ van Heschel dwingt me om weer eens te kijken naar mijn afweer en afkeer van moralisme. Daar is geen gerechtvaardigde plaats voor in de verkondiging, is mijn overtuiging, hoeveel preken er ook bol van staan. Het brengt ons geen stap dichter bij het heil, bij het nieuwe leven, dat verkondigd wil worden. En nu lees ik dit hoofdstuk waarin de daad centraal staat, het gebod, de mitswa, meervoud mitswot, als het ware leven gepresenteerd wordt.

De daad is het leven, als test, proef en kans. Om te zwemmen moet je het water ingaan, het uitproberen, het ondergaan, gebruik maken van de mogelijkheid. Zonder het water in te gaan is er geen zwemmen, zonder daden geen leven. ‘… denken kan een bezweringsformule zijn en idealen kunnen gedragen worden als een geleende kroon.’ Pas in de daad wordt duidelijk wie je bent, bewust en onbewust. Het ware leven, Heschel legt hier het verband met het goddelijke, is in de daad, de geheiligde daad. De mitswot zijn niet alleen de gegeven geboden en verboden, ze zijn ook de in de daad tot werkelijkheid geworden ge- en verboden.

Zo legt Heschel een innerlijk verband tussen het gebod en de daad. Ik denk aan Kohlbrugge die de geboden beloften noemde. De mitswot, de verzameling Joodse geboden, te zien als een belofte, als een visioen, van de nieuwe hemel en de nieuwe aarde. Je doet het een en je laat het ander na, omdat daarin het leven is, de volheid, het goddelijke. Niet omdat je er iets mee verdient of straf ontloopt, dat is de motivatie van het moralisme, alsof je door je daden het leven dichterbij brengt. Dat verduistert juist dat waar het in de mitswot om gaat: ‘De opdracht is niet om te gehoorzamen aan zijn wil, maar om te doen wat hij is.’


17 december 2023 – Bij het Bijbelleesrooster, Jesaja 65:17-25

‘Ik zal hun antwoorden nog voor ze Mij roepen,
Ik zal hen verhoren terwijl ze nog spreken.’

We lazen het gedeelte vanmorgen in de Schepershof. Ingezoomd op het ‘zie’ waarmee Jesaja dit visioen inluidt. Zie, laat je meenemen en bepalen door dit grote ja van de Heer. Een ja dat jou bereikt precies op de plaats waar je je bevindt. Blijf daar dus, laat je niet in de war brengen door alle oproepen om mee te gaan, op weg naar, om je op te werken. Voor je het weet loop je in je eentje in de woestijn, tussen de puinhopen van je eigen leven en van de wereld.

Eerst, ‘in den beginne’: ‘Zie’. Zie de komst van het nieuwgeboren kind, die aanwezigheid, onstuitbaar, overstralend. Dat maakt nieuw, dat is het begin ook van jouw nieuwe dag en weg. Daarover preekte ik, vanmorgen, waarbij ik veel woorden van het visioen van Jesaja liet liggen. Hierboven nog een woord dat niet aan de orde kwam, maar wel heel kenmerkend is in het verhaal van Jesaja en de Bijbel. Nog voor er een vraag is, is er al een antwoord, een vervulling nog voor het verlangen.

Het evangelie is er eerder dan onze behoefte aan troost en genade. Het ‘Er zij licht’ is er eerder dan onze wanhoop om de duisternis en ons verlangen naar licht. De openbaring, de verschijning van Jezus roept onze verlangens en behoeftes op, pas in zijn licht weten wij wat leven is en kunnen we er om vragen. Welbeschouwd is er geen enkele oproep nodig, niet om op weg te gaan, niet om te zien. Elkaar herinneren aan de ster, de stal en het kind is genoeg.


13 december 2023 – Bij het Bijbelleesrooster, Openbaring 20:11-15

‘Toen zag ik een grote witte troon en Hem die daarop zat. De aarde en de hemel vluchtten van Hem weg en verdwenen in het niets.’

Het hele boek Openbaring is een pleidooi voor de waarde van de geschiedenis, van de aarde en het concrete leven daarop. Daarin is het boek door en door joods, voluit geworteld in het Oude Testament. Een vervluchtiging van aarde en hemel kan hier dan ook niet bedoeld zijn. Een Nirwana in de zin van een verdwijnen van alle historie en materie kent de Bijbel niet.

Johannes ziet een grote witte troon en Hem die daarop zat. Wie dat is wordt niet nader omschreven, geheel in de lijn van de ervaring van Mozes in de woestijn. Een God die geen naam heeft, waarvan geen beeld te maken is, zich niet houdt aan wetten die wij mensen voor goden bedenken. Een aanwezigheid, maar wat voor aanwezigheid. Vrijheid, belofte, vrede, gemeenschap, recht. Een aanwezigheid die we voor altijd verbonden zien met de mens Jezus Christus, een aanwezigheid van alles overwinnende liefde.

Het is de ervaring van die aanwezigheid waarbij al het andere wegvalt, aarde en hemel verdwijnen in het niets. De openbaring, van liefde en recht, van meegaan en trouw, heeft geen grond nodig, heeft ook geen rugdekking nodig. Die liefde schept zelf, is zijn eigen uitgangspunt. Het is het oude van verhaal van Israël over de goden, die een bestaan hebben dat afhankelijk is van de strijd, van het offer, van bloed en bodem. Deze grote witte troon staat in het niets, kwetsbaar en overmachtig, als Jezus op de berg en tussen de mensen.


12 december 2023 – Vragen en klagen

‘…, laten wij vooral vragen en klagen, laten wij ook twijfelen of de boodschap ons ook nu nog bereiken zal: wie niet zou durven klagen en aanklagen zou de onvergelijkelijkheid van het gans Andere, dat er tegenover staat, verre onderschatten.’
(K.H. Miskotte in zijn Kerstbrief van 1936)

Bij klagen heb ik vaak gemengde gevoelens. Ik hoor er al gauw een verwijt in en ervaar het ook vaak als het ontlopen van de eigen verantwoordelijkheid. Klagen in het kwadraat vind ik het als er ook nog toestemming gevraagd wordt, die uiteraard niet geweigerd kan worden: ‘ik mag toch wel klagen’. En ik erger me aan de predikers die klacht en twijfel tot een substantieel bestanddeel van het geloof maken. Het toppunt van klagen is de onuitgesproken ontevredenheid, dan ervaar ik een weigering om te dragen wat ons overkomt en de neiging om dat te projecteren op de buitenwereld.

Zo, genoeg geklaagd en gezeurd. Nu Miskotte, groot inspirator van me, hij komt ineens met een pleidooi voor vragen en klagen. Het zet me stil en aan het nadenken. Hij legt een verband met de grootsheid, het anders zijn, het onvergelijkelijke van het evangelie. En ik denk aan de klachten in de psalmen, de vraag naar het waarom van de verlatenheid, de roep dat de Heer ons vergeten is. Dan gaat het niet over afschuiven, maar over de absolute onmacht om iets aan ons lot te veranderen. Over beknelling en verlorenheid.

Zo helpt Miskotte me om in de klacht iets te zien van de waarheid over ons, maar nog meer over de waarheid van het evangelie. Het is een verre, een andere, een vreemde waarheid, die we alleen zullen kennen doordat hij op ons toe komt. Durf te klagen en aan te klagen, zegt hij, durf onder ogen te zien dat je uit jezelf geen splinter kunt aandragen voor je heil. Het weerspreekt elke vanzelfsprekendheid, elke grond in ons verleden en in ons bestaan, van de boodschap van de komst van het licht. In die leegte, in die diepte ervaren dat je geholpen wordt, dat is geloven.


5 december 2023 -- Meeleven

‘In al hun nood was ook hijzelf in nood:
zij werden gered door de engel van zijn tegenwoordigheid.’
(Jesaja 63:9)

Meeleven, medeleven, compassie. Het klinkt steeds mooier, maar ook steeds wolliger. ‘Hij voelde met ons mee’, zo zegt de ‘Bijbel in Gewone Taal’ het. Misschien moeten we het daar maar bij houden. En dan nog met de kanttekening dat de sprekende daarin niet kopje onder ging. Zijn meeleven heeft niet de toon van ‘oh, wat erg’, die bekommerde toon houdt uiteindelijk klein, maakt ons tot slachtoffers.

Het Hebreeuws kent geen leestekens, dat maakt het vertalen soms lastiger. De dubbele punt van de ‘Nieuwe Bijbelvertaling’ is dan ook een interpretatie. Wel een inspirerende vind ik. Er is een innerlijk verband tussen het meeleven, meezien, meevoelen, en het gered worden, het nieuwe leven. Zoals de Heer niet kopje onder gaat in de nood, zo zal dat ook voor ons gelden in zijn tegenwoordigheid. Die tegenwoordigheid is de aanwezigheid, het onder ogen zien, het ten volle waar laten zijn van de situatie, dus ook van de nood.

Voor ons als christelijke lezers is het de aanwezigheid van Jezus, zelf in nood, in de nood van de mensheid, die hem niet aankon. Maar daarin niet kopje onder ging, zelfs in het ondergaan trouw bleef aan zijn leven van aanwezigheid, verbinding en liefde. Niet het ‘oh, wat erg’ is onze redding, maar het teken, de engel van de tegenwoordigheid. Een aanwezigheid die de nood ziet, kent en beleeft, maar toont dat niet de nood ons alles is, dat je je ook in de nood kunt keren naar het licht dat je altijd gegeven wordt. Dat zegt me de dubbele punt in de vertaling van dit bijbelwoord.


1 december 2023 – Beter?

‘We weten niet meer of datgene waaraan we ons toevertrouwen beter is dan wat we hebben losgelaten.’

Een vriend herinnerde me aan het boek met gebeden van André Dumas, ‘Honderd kansen tot inkeer’. Goed om het weer eens uit de kast te halen, prachtige, diepzinnige gebeden, tegelijk heel herkenbaar. Het citaat is uit een gebed waarin hij onze bevrijding gedenkt: ‘Wij weten, dat we niet vrij zijn geboren, maar dat we toch bevrijde mensen zijn gewórden’. Dat ligt achter ons, maar we zijn ook onderweg. Met die vrijheid, die we ook kunnen betwijfelen.

Misschien is het niet eens twijfel waar Dumas me hier aan herinnert, maar meer een scherpe observatie van het gewoontespoor waar we in kunnen raken. Ook in de afstemming op het evangelie, ook in het belijden van de geschonken vrijheid. Zo kan ik mijn stukjes hieronder lezen, als geschreven vanuit een reflex op liefde en genade. Zonder veel besef van de achtergelaten slavernij, al herinnert Openbaring me wel steeds aan het contrast tussen het donker en de overwinning.

Terug kunnen we niet, al zou ik het wel mooi vinden de bijbelverhalen voor het eerst te horen. Ze zijn me met de paplepel ingegeven, het leven zonder die verhalen ken ik feitelijk niet. Het heeft geen zin te doen alsof ik ze niet ken, mijn leven is er sowieso door gestempeld, zoals alles wat ik heb meegemaakt zijn invloed heeft. Juist daarom hoeven we ook niet te weten en te bepalen wat er beter is. Het gaat niet om de kracht en de vreugde van de eerste kennis en de eerste liefde, het gaat om het manna dat we vandaag ontvangen. Ons daaraan toevertrouwen is altijd ‘beter’ dan het oude, het is ontdekking van wie ik ben, nu.


27 november 2023 – Bij het Bijbelleesrooster, Openbaring 15

‘Ik zag in de hemel opnieuw een indrukwekkend, wonderbaarlijk teken: het waren zeven engelen met de zeven laatste plagen, waarmee aan Gods woede een einde komt.’

Het mooie van de term ‘het laatste oordeel’ vind ik altijd dat element van ‘het laatste’. Het houdt een belofte in van een toestand waarin er geen oordeel is, waarin alle oordeel voorbij en vergeten is, waarin oordeel geen rol speelt. Dat hoor ik hier ook in het gezicht van de laatste plagen. Het zijn de laatste, er komt een einde aan Gods woede. Ondanks de grote verschrikkingen die in deze hoofdstukken getekend worden, klinkt hier een woord van licht en lucht, indrukwekkend en wonderbaarlijk.

Er is geen enkele reden om luchthartig te doen over de woede van God. Die beantwoordt aan een wereld waarin geen onderscheid tussen goed en kwaad meer gekend wordt. Waarin mensen verworden zijn, zoals Miskotte het in 1944 uitdrukte, tot automaten, ‘opgewonden, wildgeworden schreeuw-, grijp-, bijt- en vreetapparaten’. Het is woede om kapotgemaakt leven, om onmogelijk gemaakte kansen, maar ook om onzorgvuldigheid en onverschilligheid. Het is om de wereld van de hebzucht van het groot kapitaal en de ontevredenheid van de kleine mens. De wereld van oorlog en mensenhandel.

Dat bederf en die woede zijn geen gelijkwaardige grootheden, dat is wat de ziener hier ziet. Daarover gaat het lied bij de glazen zee, het donker dat helder wordt tot op de bodem. Het bederf is niet het einde van de wereld, er is altijd nog de trouw en het recht van de Heer. ‘Alle volken zullen komen en zich voor U neerwerpen, want uw rechtvaardige daden zijn geopenbaard.’ Ook in de woede gaat het om de rechtvaardige daden van de Ene, de alleen heilige. En dat betekent het einde van de woede, een woede die niet door blijft zieken en oordelen in eindeloze frustratie, maar een woede die recht doet en leven mogelijk maakt, voor ‘alle volken’.


24 november 2023 – Bij het Bijbelleesrooster, Matteüs 25:1-13

‘Wees dus waakzaam’

‘Midden in de nacht klonk er luid geroep: “Daar is de bruidegom! Kom, ga hem tegemoet.”’ Ze worden wakker geroepen, alle tien. Alle tien waren ze ingedommeld, niet meer bij vol bewustzijn, niet waakzaam. En in die nacht van slapen, van niet weten, van achteloosheid, van niet leven, klinkt de roep. De roep van de nieuwe tijd, van de nieuwe mens, van de nieuwe orde, van het Koninkrijk van God. Die roep maakt ons wakker, die roep brengt ons tot leven.

‘Wees dus waakzaam.’ In mijn oren klinkt dat niet als een oproep om te zorgen dat je genoeg olie bij je hebt, alsof je je op die roep, die nieuw en onverwacht is, kunt voorbereiden. We weten niet op welke dag en op welk tijdstip, daarom is waakzaamheid leven alsof die roep nu klinkt. En hij klinkt ook, overal waar gesproken wordt van deze bruidegom. Besteed je energie niet aan het verzamelen van zoveel mogelijk olie, wat dat dan ook moge betekenen, maar laat je wakker roepen door deze stem, de stem van het evangelie.

Al of niet olie is een kwestie van achteraf invullen, de tegenstelling zit zelfs binnen in ons. Het blijkt waar de roep klinkt, tegenstem en gehoorzaamheid, vasthouden en overgave. ‘Ik verzeker jullie: ik ken jullie niet.’ Barth noemt het het krachtige weten van het niet-weten van God. Het gaat hier natuurlijk al lang niet meer over onnozele meisjes die hun lampenolie vergeten zijn, maar over allen en alles wat de nacht in stand houdt en bevordert. Met kracht wordt dat afgewezen, het mag en zal niet bestaan. Waar het op aan komt is het herkennen en erkennen van die kracht, de kracht van de liefde, als de waarheid voor onze wereld. Let daarop, wees waakzaam.


23 november 2023 – De oude draak

Er speelt een oude draak op het toneel
Een draak die ooit gestoken is
Maar steeds weer losgebroken is
De kranten schrijven: altijd actueel
U moet beslist gauw op bezoek
Straks valt het doek

De spelers worden elke dag ververst
Of nieuwe worden ingehuurd
Met dollars die zolang het duurt
Het ademloos publiek zijn afgeperst
Dat alles slikt voor zoete koek
Straks valt het doek

(Elly en Rikkert, met dank aan Hanneke Ouwerkerk bij ‘Eerst dit, Bijbelpodcast van de EO’)


21 november 2023 – Bij het Bijbelleesrooster, Openbaring 14:1-13

‘... iets gezongen dat leek op een nieuw lied.’

‘Toen zag ik dit: het lam stond op de Sion’. De Sion, het snijpunt van hemel en aarde, de poort van de openbaring, de woonplaats van de Heer. De plaats waar alle vreugde en vrede ontspringt, de plaats van de zegen. En daar staat het lam, als de eerste en de laatste, als het begin en het einde, als de bron en het motief van het leven. Zoals Jezus stond en standhield, niet boog voor de macht en de tegenstand, voor de leugen en de haat.

‘en bij het lam waren honderdvierenveertigduizend mensen die zijn naam en die van zijn Vader op hun voorhoofd hadden.’ De volheid van het volk van God, Israël, de gemeenschap die ontstaan is uit het volgen van Jezus. Geteld en bewaard, gekomen door de grote verdrukking. Op de een of andere manier heeft dit met de kerk te maken. De kerk waar we dit vaak niet in zien, de kerk die klein wordt en altijd weer hervormd moet worden. De kerk, te gewoon, te gezellig, te veel wegkijken. Johannes ziet het teken en hij ziet daarmee het wezen van diezelfde kerk. De hondervierenveertigduizend hebben een naam gehoord en dragen die, dat onderscheidt hen en als zodanig staan ze op de Sion.

Er klinkt een nieuw lied, een lied dat alleen deze gemeenschap kan begrijpen. Dit nieuwe lied kun je alleen leren en meezingen als je trouw bent aan het lam, trouw aan de weg van gehoorzaamheid, van dienst, van liefde. Als het je niet gaat om je eigen behoud, maar om de glorie van het bestaan. Dat is ook het nieuwe van dit lied, elke dag weer, ‘De Heer heeft mij gezien en onverwacht / ben ik opnieuw geboren en getogen.’ Het is het lied dat ontspruit aan de hemel, aan het gezien worden, aan de gave, het is het lied dat de toon aangeeft voor de aarde. Het klinkt op de Sion, daar waar de zon van de gerechtigheid opgaat en schijnt voor de hele wereld.


17 november 2023 – Bij het Bijbelleesrooster, Openbaring 12:1-12

‘Toen brak er oorlog uit in de hemel.’

Er is geen veilige haven. Dat is het schokkende van dit visioen. Het paradijs, waarnaar we in onze heimwee terug verlangen, de hemel waarover we fantaseren als een nieuw paradijs, maar ook alle aardse varianten, legendarische zoals Atlantis, alledaagse zoals ons eigen huis en tuin, onze vakantie, ons geestesleven. Ze gelden niet, ze bestaan niet, er breekt oorlog uit in de hemel. De opperste waarheid van ‘vluchten kan niet meer’.

Het duurt maar twee zinnen, maar die zinnen doorbreken wel alle aannames over een plaats of een tijd of een idee, die onbedreigd is. Blijkbaar reikt de invloed van de draak tot in de hemel. Dit ondergraaft alle romantische geloven en leven. ‘Rozen verwelken, schepen vergaan, maar onze liefde blijft altijd bestaan.’ Vergeet het maar, oorlog in de hemel, er is niets dat zomaar, als vanzelf, altijd, blijft bestaan. Er is een strijd, er is tegenstand, er moet iets overwonnen worden.

Ik hoor in dit visioen iets van de totaliteit, de omvattendheid, van het evangelie, van de woorden van recht en liefde. Het gaat niet om mooie en veilige bubbels aan de ene kant en gebieden van het leven die we maar opgeven aan de andere kant. Het gaat om de ene beweging van de heerschappij van dat geboren kind. Dat is niet een onschendbaar stukje, ook niet een heel hemelrijk, dat misschien nog een beetje uitgebreid kan worden. Het gaat om de totale hemel en aarde, waar geen plaats meer is voor de draak.

Scheppen is scheiden, altijd, de aarde veroveren op het duister, het leven op de wanhoop, de vrijheid op de verslaving aan het kwaad.


12 november 2023 – Bij het Bijbelleesrooster, Matteüs 24:1-14

‘Laat dat je dan niet verontrusten’

Natuurlijk verontrust ons dat alles. Oorlogen, natuurrampen, onderdrukking, verraad, misleiding. En ik denk niet dat Jezus bedoelt dat we al die dingen maar licht op moeten nemen, omdat ze de inleiding vormen voor het einde dat zijn nieuwe begin is. Jezus ziet de verontrusting en ziet hoe de verontrusting, de onrust, de schrik, de angst, de zorg, mensen in beslag kan nemen, volledig lam kan leggen.

Het gaat hier om de weg door de verschrikkingen heen, het leven in een wereld waarin al deze dingen gebeuren. Zelfs in onze veilige, tamelijk vredige omgeving kunnen ze ons bespringen, denkend aan de toekomst van ons en onze kinderen. Denkend aan het leven van mensen in de gebieden waar de rechteloosheid heerst, waar macht en wapen en leugen regeren. ‘Laat dat je niet verontrusten’, laat dat je niet vastzetten, laat dat je niet verlammen.

Jezus spreekt over zijn komst en de voltooiing van de wereld. Velen zullen het opgeven, zullen zich gewonnen geven aan de loop van de geschiedenis. En dat valt dat ene woord, niet als een geruststelling of als een vlucht, maar als een weg, de weg van koninkrijk. Liefde. Liefde zal verkoelen, maar de redding ligt ook hierin. Het is de weg van Jezus zelf, die ten onder ging. Is dat standhouden, ja dat is standhouden, standhouden in de liefde. Dat zal ons redden, redden van de wanhoop, redden van de verlamming.


10 november 2023 – Bij het Bijbelleesrooster, Openbaring 11:1-14

‘Maar toen de drieënhalve dag voorbij waren, voer er een levensgeest uit God in hen en kwamen ze weer overeind.’

‘Greenpeace ziet de aanklacht als 'een van de grootste juridische bedreigingen' waar de organisatie mee te maken kreeg in meer dan vijftig jaar actievoeren.’ Bij het lezen van Openbaring 11 kwam dit bericht in de krant van vanmorgen boven. Een rechtszaak van Shell tegen Greenpeace vanwege een demonstratie bij een olieplatform. De getuigen worden berecht en het liefst een kopje kleiner gemaakt, zodat het feest kan doorgaan. Het feest van de gewaande vrijheid, van het ‘het komt goed, we redden het wel’.

Dat dat feest alleen gevierd kan worden dankzij allerlei raketschilden, inclusief het atoomschild, dankzij heel veel uitbuiting en onrecht, dankzij de verwoesting van aarde en ruimte, dat vergeten we liever. De krant staat vol verhalen van dode en bijna dode getuigen, maar ook van het wegdraaien, van het onbekommerd feestvieren. Dat is de sfeer die dit duistere hoofdstuk oproept. Wie de krant goed leest heeft dit visioen bijna niet nodig.

Bijna, zeg ik. Ze liggen dood midden in de stad als middelpunt van het feest. Een beproefde tactiek van terreur en macht, ‘waag het niet!’. Drie en halve dag, we zijn al halverwege de volheid, die hier ongedaan gemaakt lijkt te worden. Maar dan, je kunt doodmaken, verderven, verwoesten, uitroeien wat je wilt, maar er is de levensgeest. ‘Een levensgeest uit God’, hoe vaag wil je het hebben, maar zij die getuigden van recht en vrede, van de nieuwe hemel en de nieuwe aarde komen weer overeind. Altijd weer zijn er, uit de meest onverwachte hoeken, de stemmen, die roepen, die durven, die spreken van anders zijn. Daar wil dit visioen, geïnspireerd door die ene die de weg van de levensgeest ging en was, ons aan herinneren.


9 november 2023 – Bij het Bijbelleesrooster, Openbaring 10

‘Wat de zeven donderslagen gezegd hebben, moet je geheimhouden. Schrijf het niet op.’

Je kunt niet alles weten, je hoeft niet alles te weten, je moet niet alles willen weten. Dit visioen draait om het geheim, om de verborgenheden van God. Het is het geheim van hemel en aarde, het geheim van vanwaar en waartoe. Het is het geheim dat meegegeven is met het evangelie. Het geheim van de nieuwe hemel en de nieuwe aarde. Dat gaat onze fantasie verre te boven, daar is een machtige engel van godswege voor nodig om het ons aan te zeggen.

Hij heeft een kleine open boekrol. Hij verheft zijn stem en de zeven donderslagen laten ook hun stem horen. De ziener wil opschrijven wat hij hoort, maar het wordt hem verboden. Ik denk aan iets als in het verlengde van het beeldverbod in het Oude Testament. God is niet vast te leggen in een beeld, elk beeld van hem is een verwarring, een afleiding van wie hij echt is. Dat geldt ook voor het omschrijven van dit geheim, je doet het er altijd tekort mee. De belofte van het heil gaat veel verder dan wat wij in taal vast kunnen leggen.

Gods geheim zal werkelijkheid worden, zijn verborgenheden zullen geopenbaard worden. Het gaat niet om de oplossing van een raadsel, het ontdekken van een wetenschappelijke waarheid, het vinden van een antwoord op onbeantwoorde vragen. Het gaat om een nieuwe werkelijkheid, om leven, om vervuld leven. De ziener wordt profeet door het eten van de boekrol, een weldaad in de mond, brand in de maag. Wie op het spoor gezet wordt van het geheim van het evangelie, kent het lijden om wat gebeurt, kent de wanhoop en de teleurstelling. Juist vanwege dat weten van de werkelijkheid van het geheim Gods.


8 november 2023 – Bij het Bijbelleesrooster, Psalm 11

‘Schuilen doe ik bij de HEER.’

In het verstaan van de psalmen, net als van de hele Bijbel, komt het er op aan dat we steeds opnieuw de Naam spellen. De Ene, de Eeuwige, ‘Ik zal zijn’, de Aanwezige. Het is de Heer bij wie deze dichter schuilt. Niet bij god of een god, dat zou een terzijde zijn, een weggaan, een vlucht. Nee, bij de Heer, juist de ontkenning van de goden, van de wereld buiten onze wereld. De Heer, te kennen in de geschiedenis, in je eigen leven, je bloed en je hart.

Vandaar de verontwaardiging bij de suggestie om te vluchten, ‘Vogel, vlieg weg naar de bergen!’ Geef het op, het wordt niets meer, hier beneden is het niet, laat het achter. Dat zou ontkenning van de goedheid en het recht van de Heer zijn. Dat zou ook betekenen dat we de aarde overlaten aan hen die uitbuiten, verpatsen, overgeven aan de rechteloosheid. Hier is het recht, hier is de genade, niet bij de goden op de bergen, niet bij de goden van de diepte. Niet bij de goden van het verleden, niet bij de goden van de toekomst, nu, in deze hartklop, in deze ademteug.

In het leven onder zijn aangezicht. ‘De oprechte zal zijn gelaat aanschouwen.’ Wij leven in het zicht van de Heer, dat maakt deze aarde tot een plaats waar het goed is om te leven. En als het niet goed is, is de oplossing niet om ons af te wenden, maar om ons te realiseren dan onze aarde en onze geschiedenis het toneel is van Gods recht en liefde. Om ons toe te wenden tot dat gelaat dat ons aanziet, ons toe te wenden tot de ogen van Jezus, die bleef, wat de prijs ook was, in eerbied, in lof, in liefde. Dat hier en nu.

Huub Oosterhuis pakt in zijn bewerking van deze psalm dat poëtische vogeltje nog een keer op: ‘Vogeltje van de bergen, zoek je schuilplaats hier.’


2 november 2023 – Bij het Bijbelleesrooster, Openbaring 8

‘Toen het lam het zevende zegel verbrak, viel er een stilte in de hemel, die ongeveer een half uur duurde.’

‘Het is natuurlijk een beeld, die stilte en dat halve uur. Maar het beeld verkondigt, dat wij fout gaan, wanneer wij menen, dat geestelijk leven ons losmaakt van de aarde.’ Zo sprak Miskotte op zijn bijbelavonden, in de oorlogswinter ‘43/’44, bij Openbaring 8. Geloven, of, zo je wil, spiritueel leven, is geen rustige vluchthaven, waar het wee van de wereld je niet echt meer raakt. Die suggestie of vrome wens wordt hier onderuit gehaald. Zelfs in de hemel is het stil van ontzetting om de vreselijke dingen die op aarde gebeuren.

Stilte, een zwijgen, terwijl er vaak de neiging is om te gaan praten. Te gaan praten om het te beheersen, onder controle te krijgen, het in onze kaders te laten passen. Miskotte noemt uiteraard de oorlog als voorbeeld, maar je kunt ook denken aan de ziekte die jou persoonlijk overkomt of een natuurramp waarvan je hoort. Zo is deze stilte in de hemel een weerstand tegen alle rationaliseren, die de ervaring, het moment van het leven, ook als het erg is, doet ondersneeuwen.

Als derde aspect van dit beeld noemt Miskotte de onvermijdelijkheid van de verschrikkingen. Ze zijn niet te ontgaan. ‘Men moet in een schuilkelder en er blijft niets anders over, dan af te wachten en nog eens af te wachten’. Dit is geen pleidooi voor passiviteit, eerder voor realisme, maar vooral is het in de gedachtengang van Miskotte de opening naar de verwachting van de daden van de Heer. Wij hebben geen antwoord, geen rechtvaardiging en geen levensbeschouwing waar de verschrikkingen van deze wereld in passen. Misschien is de stilte daarom ongeveer een half uur, er is een ruimte en een tijd voor een ander verhaal.


1 november 2023 – Bij het Bijbelleesrooster, Openbaring 7

‘Hierna zag ik dit: een onafzienbare menigte, die niemand tellen kon, uit alle landen en volken, van elke stam en taal.’

Dit ontroert me. Dat Johannes dit ziet, in een wereld die getekend is door geweld en bedrog, door uitbuiting en uitputting. De krant probeert ook verhalen te brengen die bemoedigen. Een Palestijnse moeder die volhoudt, een Israëlische vredesactivist die tegen de stroom ingaat. Het zijn enkelingen, maar de apostel ziet een onafzienbare menigte, van elke stam en taal. Alsof het de hoofdstroom is in de wereld, in onze wereld. De mensen die niet gebogen hebben voor de macht van geld en geweld, voor de druk van terreur en vergelding.

‘Ze hebben hun kleren witgewassen met het bloed van het lam.’ In onze oren geen fris beeld, maar het bloed van het lam duidt op het leven van Jezus. Ze hebben hun verschijning, hun weg en hun leven, laten bepalen door de weg en het leven van Jezus. Dat geldt voor allen die gekozen hebben tegen het onrecht, tegen het bedrog, tegen de verleiding, tegen de leegte van het leven in rijke verveling, tegen het eigenbelang, tegen de knieval voor de goden van de tijd. Johannes ziet hen, ze zijn er, uit alle landen en alle volken.

Ze worden gezien en ze worden bewaard. Tegen het cynisme in, dat het toch allemaal niets uitmaakt, dat we allemaal wel meegesleept zullen worden het donker in. ‘En God zal alle tranen uit hun ogen wissen.’ Het klinkt wat archaïsch, maar het drukt wel mooi uit dat het meer is dan de tranen drogen. Tranen vertroebelen ons beeld, letterlijk, maar ook doordat verdriet en frustratie ons beeld op de werkelijkheid altijd vertekenen. Wie door deze godsdaad aangedaan wordt, gaat helder zien, krijgt een vrije blik op zichzelf, de ander en de wereld. Die gaat mee zien met deze apostel en ziet, zoals Miskotte het noemde, de hoofdsom van de historie.


31 oktober 2023 – Bij het Bijbelleesrooster, Psalm 10

‘Toch ziet U de pijn en het verdriet,
U merkt het op en weegt het in uw hand.’

Wegen is hier meer dan het gewicht vaststellen. Het is gewicht geven, het gewicht zien en erkennen, van de pijn en het verdriet van weerloze mensen. Daarmee krijgen de weerlozen, de armen, de nederigen zelf gewicht. Ze worden gezien als mensen die tellen, als mensen die de aarde toekomt, daar waar zij meestal verjaagd worden of in ieder geval niet gezien, niet geteld. ‘Geen mens kan hen nog uit het land verjagen.’ Ze krijgen een plaats, een plaats om te wonen en te zijn.

Ik word altijd een beetje kriegelig van het zogenaamde armoede ideaal, zeker als daarover gesproken wordt door mensen die er zelf warm bij zitten. Alsof armoede een waarde in zich heeft. Voor je het weet wordt de armoede gelegitimeerd, hoeven we die niet meer zo zwaar te bestrijden. Daarvoor kun je je op deze psalm niet beroepen. Het gaat er niet om dat de arme als arme een streepje voor heeft, maar dat hij gezien wordt als volwaardig mens.

Dat is wat de rijke in deze psalm verweten wordt: hij ziet de arme niet als mens, maar als middel om nog rijker te worden. Daar begint de rechtvaardigheid, daar waar de weerloze, de arme, de zwakke, gewicht krijgt, als echt gelijkwaardig gezien wordt. Als samenleving hebben we nog een lange weg te gaan, het is een onthutsende spiegel die dit lied ons voorhoudt. Ook een spiegel die een weg wijst. De hoofdzaak is niet de ondergang van de rijken in hun arrogantie, maar het zien van de ander, het gewicht geven aan wie gewoonlijk niet meetelt.


24 oktober 2023 – Bij het Bijbelleesrooster, Matteüs 22:34-46

‘En niemand was in staat Hem een antwoord te geven, noch durfde iemand Hem vanaf die dag nog een vraag te stellen.’

Op het eerste gezicht ga ik twijfelen aan de communicatieve vaardigheden van Jezus. Dit is toch niet wat je wilt en verwacht in een gesprek. Je gesprekspartners het zwijgen opleggen, het is alsof er een muur opgeworpen wordt. Dergelijke muren hebben we wel genoeg in de wereld, letterlijk en figuurlijk. Het zou een aardige inkopper zijn voor Loesje. Zoiets als: ‘Waar de vragen stoppen, stopt het gesprek’.

Toch maar even doorvragen dus. Bij de vraag van Jezus moet ik altijd zwaar nadenken. Je kunt iemand niet tegelijk je heer en je zoon noemen? Hoezo niet? Ik kan me genoeg situaties voorstellen waarin mijn zoon of dochter, dan wel niet mijn messias, maar wel mijn redder, mijn zegen, mijn toekomst is. In streng hiërarchische verhoudingen ligt dat moeilijker, je moet opkijken tegen je ouders en niet andersom. Misschien rammelt Jezus hier een beetje aan die gevestigde orde.

Blijft daar het zwijgen waar het gesprek op uitloopt. Misschien kun je het zien als iets heilzaams. Zwijgen als de poort naar de verwondering, verwondering als de poort naar het zien en ervaren van de zegen. Je kunt wel altijd je eigen vragen centraal stellen, spitsvondige of wanhopige, maar ze verduisteren het zicht op de waarheid van het evangelie dat jij zelf, je leven, je leven van deze dag, deel is van het antwoord. Een antwoord dat we alleen in verwondering hoeven te beamen.


21 oktober 2023 – Bij het Bijbelleesrooster, Matteüs 22:1-14

‘Velen zijn geroepen, maar slechts weinigen uitverkoren.’

Professor Berkhof kwam vanuit Leiden naar Utrecht voor een gastcollege. De zaal zat vol, het was dan wel geen bruiloftsfeest, maar velen hadden gehoor gegeven aan de uitnodiging voor dit college. Toen hij het aanbod van het evangelie kennelijk wat te ruim schetste, kwam er vanuit de zaal de opmerking: ‘Professor, er staat toch ‘Velen zijn geroepen, maar slechts weinigen uitverkoren.’’? Het antwoord stuiterde lang in mijn oren: ‘Die woorden slaan als een tang op een varken’. Ruim vijftig jaar later weet ik ze nog, al zal ik mijn hand niet in het vuur steken voor de letterlijkheid ervan.

Je moet je inderdaad in heel wat exegetische bochten wringen om deze woorden te verbinden met de gelijkenis die Jezus hier vertelt. Tenslotte is er slechts die ene die niet op het feest thuis hoort, hoewel hele gemeenschappen zich huiverend afvragen of zij die ene zonder bruiloftskleed niet zijn. Het wrange is dat dat kleed hier het kleed van genade is, het kleed van het leven waar jij deel van uit mag maken. Op de zondagsschool was dat altijd een mooi detail: bij de ingang van de feestzaal stonden dienaren van de koning die al die mensen van de straat mooi aankleedden.

Alleen was er eentje die die feestkleding afwees, hij vond zichzelf zo wel goed genoeg. Daarin hoor ik wel iets van de waarheid van dit verhaal. Al die mensen waren welkom, beeld van het evangelie van het leven voor allen, allen die vermoeid en belast zijn, en wie valt daar niet onder. Iedereen is goed genoeg, behalve die ene die zichzelf goed genoeg vond. Daar ligt de grens, tussen een wereld in zelfgenoegzaamheid en een wereld die weet van de gave, van het licht uit de hemel, van de blik van boven. De grens tussen eigen genoeg en niemand nodig hebben en leven van de stem die zegt: ‘Jij bent mijn geliefde’.


16 oktober 2023 – Bij het Bijbelleesrooster, Openbaring 2:18-29

‘En Ik zal hem ook de morgenster geven.’

Vanouds werd in Amsterdam de voddenraper een morgenster genoemd, omdat hij voor dag en dauw de straten langs ging op zoek naar iets van zijn gading. Een modernere variant van een morgenster is degene die, ook vaak in het halfdonker, het vuilnis doorzoekt naar handel. Van dergelijke morgensterren heeft de apostel geen weet, maar ergens passen ze wel in zijn beeld. Iets van waarde in het waardeloze, de steen die door de tempelbouwers afgewezen werd in bijbelse taal. Lichtpuntjes in de donkerte.

Zo komen we dichter bij het beeld van Openbaring. In het donker van de nacht, temidden van de grootse en eindeloze sterrenhemel, is er die ene, heldere ster. In feite een planeet die zijn licht aan de zon ontleend, maar dat doet er hier niet toe, denk ik. Het bijzondere van dit licht is dat het verschijnt aan de donkere hemel, als het nog nacht is. In die nacht wordt de morgen aangekondigd. Dat wordt toegezegd aan de mens die volhoudt, die bidt, die wacht, die bewaart wat haar is toevertrouwd.

Dat is voor mij het mooie van dit beeld. Die woorden van alle macht, van alle kracht, van het komende licht, van de nieuwe hemel en de nieuwe aarde, kunnen te groot zijn voor een mens en een wereld in nood. Ze kunnen zelfs blind maken voor de lichten die er nu zijn, voor de waarde van leven en daden van vandaag. Het ontvangen van de morgenster maakt je tot voddenraper, tot iemand die in de ellende van de wereld en van zijn eigen leven de twinkelingen ziet waarin het leven is. Vredestichters, rechtzoekers, pleitbezorgers, ook daarover meldt de krant, temidden van de uiterste duisternis.


12 oktober 2023 – Bij het Bijbelleesrooster, Psalm 16

‘… de machten die ik zo liefhad, ...’

De gedachten zijn bij Israël en de Palestijnen in deze dagen van terreur en vergelding. Huiver overvalt je als je de scenario’s in de kranten leest. Het is allemaal dreiging, onveiligheid, uitzichtloosheid, leed, heel veel leed. Het contrast met deze psalm is groot, ‘een lieflijk land is mij uitgemeten’. Het draait om de nabijheid van de Heer. Daarover geen zorgen, die wordt gezien, ervaren en bezongen. De wonderlijke wending in deze psalm ligt aan onze kant, als lezer, dichter, zanger.

In de vertaling van 1951 was het niet zichtbaar, maar in deze vertaling (en ook andere) gaat het over een omkeer bij de dichter. ‘Vroeger vereerde ik andere goden.’ Zo is het te lezen in de Bijbel in Gewone Taal. De goden van de straat, van deze wereld, van mijn eigen dwaling. Ik was er verslaafd aan, ‘de machten die ik zo liefhad’. Ik diende ze met woorden en met mijn leven. ‘Godheid had mij in haar macht’ herdicht Huub Oosterhuis. Vast zat ik, in de schema’s van het eigen denken, van het eigen belang, van het eigen overleven.

Dat verdriet, het verdriet om dat verloren leven, het verdriet van de nacht van Palestijnen en Joden, allemaal in het spoor van die macht, van die godheden, aan wie we ons verplicht voelden, die we te vriend wilden houden, van wie we het heil verwachtten. De omkeer is een bevrijding, de bevrijding, door de verschijning van de Heer die al die machten van terreur en vergelding overbodig maakt. De weg wijst weg van het dodenrijk, naar het lieflijke land, het land van ontmoeting en verbinding, het land, het enige mogelijke land, het land van belofte. Het is de bede van dit lied voor een stervende wereld.


11 oktober 2023 – Bij het Bijbelleesrooster, Openbaring 1:9-20

‘Wees niet bang.’

Tijdens een opleiding op het pastoraat gericht gaf een docent college aan de hand van het boek van Riemann, ‘Grundformen der Angst’. Er waren er vier. De angst om afgewezen te worden en de angst om onder te gaan, zo herinner ik me er twee. In de samenvatting van het boek van Riemann lees ik de angst voor overgave, de angst om jezelf te zijn, de angst voor verandering en de angst voor noodzakelijkheid, het onvermijdelijke. En door de wijze woorden van onze docent herkenden we alle angsten wel in onszelf, mijn herinnering zal mijn persoonlijke toepassing wel zijn.

‘Wees niet bang.’ Johannes hoort het vanuit de hemel en we denken aan onze angsten. Ik zeg het regelmatig tegen mezelf: ‘Niet bang zijn.’ In mijn ogen betekent bang zijn dat je je laat bepalen of bepaald wordt door gebeurtenissen in het verleden die je geraakt hebben. Het risico is dat je steeds probeert je eigen angsten te overwinnen of er goed mee om te gaan. Zo kun je je hele leven investeren in de angst voor de dood, die in dit gedeelte trouwens heel plastisch aanwezig is, Johannes valt als dood neer.

Hier in Openbaring 1 heeft de angst één grondvorm, het is de angst voor het leven. Toen ik tijdens een retraite eens bij de leraar aanklopte met mijn bangigheid was zijn antwoord: ‘Daar moet je niet in investeren.’ De rest weet ik niet meer, alleen dat het zeer bevrijdend was. Het richtte me op het leven dat er op dat moment was en voor me lag, de vrijheid, de energie, de zin. Die omkering lees ik ook hier: je angst is de angst voor het leven, het leven dat je op dit moment overkomt, tot je spreekt, je op doet staan, je doet spreken en leven.


10 oktober 2023 – Bij het Bijbelleesrooster, Openbaring 1:1-8

‘Hij komt met de wolken, en dan zal iedereen Hem zien, ook degenen die Hem doorstoken hebben. Alle volken op aarde zullen over Hem weeklagen. Ja, amen.’

Hij gaat en komt met de wolken. Een wat vage aanduiding, alsof de verschijning van Jezus Christus iets is als het weer. Onberekenbaar en vluchtig, maar ook onontkoombaar en algemeen. En essentieel, weten we in de tijd van klimaatcrisis. Het gaat iedereen aan en iedereen is ervan afhankelijk. Dat is dan ook het eerste wat Johannes zegt bij die wolken waarmee Jezus komt: ‘Iedereen zal hem zien’. Hij die verstoten werd, afgewezen, terechtgesteld, vermoord, kortom doorstoken, iedereen zal hem zien.

En dan het wonderlijke zicht van deze apostel en profeet. ‘Alle volken zullen over hem weeklagen.’ Wereldwijd zal het verdriet zijn, om hem en om wat hem aangedaan is. Hoe haaks op onze wereld, vol onverschilligheid om deze die doorstoken werd. Een onverschilligheid die ruimte maakt voor onverantwoordelijk doorleven, voor plezier met oogkleppen en voor terreur en vergelding.

Weeklagen over hem, dat is wat anders dan verontschuldigingen en excuus. De mensheid zal inzien dat de kans gemist werd, dat het leven vergooid werd, dat de aarde vernield werd. In het niet gaan van de weg van die ene, die doorstoken werd. De weeklacht over hem is de weeklacht over de eigen daad en het eigen lot. En dat universeel, wat een beeld. Het diepste en mooiste is dat deze weeklacht plaatsvindt onder de wolk van zijn komst. De klacht om de gemiste kans wordt opgeroepen door de nieuwe kans, de nieuwe werkelijkheid van zijn verschijning. Nabij, zegt Johannes, zo nabij als de wolken, als het weer, als deze dag.


9 oktober 2023 – Bij het Bijbelleesrooster, Psalm 21

‘… u schiet uw pijlen recht op hen af.’

‘Israël wordt wakker in een nachtmerrie.’ Een krantenkop die de gebeurtenissen van 7 oktober samenvat. Op de dag van Simchat Thora, het feest van de vreugde der wet, wordt Israël binnengevallen door Hamas. Vijand en vijand ontmoeten elkaar. De krant staat er vol en ik lees Psalm 21. Verwarrend, wie is die koning, wie is David, wie is Goliath? Woorden van genocide klinken hier, het wegvagen van de ander, iets wat in deze dagen en al veel langer aan beide kanten gewenst wordt.

‘… welke andere woorden konden gereciteerd worden toen moeders zagen hoe hun kinderen de vernietiging ingedreven werden in de kampen van de nazi’s?’ Woorden van Heschel waarmee hij pleit voor harde bijbelwoorden als in deze psalm. Huub Oosterhuis schrijft een tegenzang bij dit lied, dat kan ook. ‘Luister mijn zoon en mijn dochter: / zing dit liedje niet verder, / leer het je kinderen niet.’ Terechte woorden die gezegd worden tegen iedereen die zich vereenzelvigt met de koning van dit lied.

Maar in het spoor van Heschel, naar de geest van Simchat Thora luister ik nog even. Kan ik het lied horen als ik bedenk dat het over de messiaanse koning gaat, waarvan David slechts en soms een afschaduwing is. Dan gaat het niet over de overwinning of de uitroeiing van een concreet volk, maar over de gerechtigheid waarvan we weten door de woorden van de wet, de thora, de openbaring van de God van Israël. En die openbaring gaat als een verterend vuur door de wereld. Verteert alles wat mensen en aarde tekort doet.

Mijn overtuiging is dat dat niet gaat op de wijze van de afrekening. Voorzover die er is, bijvoorbeeld in het internationaal recht, is dat, in het goede geval, een weerklank van het grote verhaal van de Bijbel. Het verhaal van de nietige herdersjongen tegen de grote reus, het verhaal van de mens van de liefde die ondergaat op Golgotha. Het verhaal van de liefde die sterker is dan de dood. Daar waar de boekrol in deze geest rondgedanst wordt, zal er toekomst zijn. Dan vliegen de pijlen van liefde recht het hart in.


5 oktober 2023 – Bij het Bijbelleesrooster, 2 Koningen 25:18-30

‘In zijn dagelijks onderhoud werd voortaan door de koning voorzien, zijn leven lang.’

De boeken 1 en 2 Koningen gaan over de macht in Israël en hoe die uitgeoefend werd. Koningen die luisteren naar de woorden van de Heer en koningen die zichzelf tot norm stellen wisselen elkaar af. Fascinerend is het slot van deze boeken. De geschiedschrijving van het koningschap eindigt met de ondergang van het koninkrijk Juda en de ballingschap van de inwoners. En dan nog dit naschrift, over de gunst die de voorlaatste koning ontving van de koning van Babel, het land van de ballingschap.

Vernederend moet dat geweest zijn, te eten uit de hand van hem die je slaat. Te leven van een gunst die elk moment kan stoppen. Als verliezer opgenomen te worden aan het hof van je overwinnaar. De nieuwe koning van Babel kan zich dit veroorloven, het is een teken van zijn macht. Deze gunst laat aan iedereen zien hoe de verhoudingen liggen, wie er de baas is en zich alles kan veroorloven. Het is de arrogantie van de macht, die de laatste koning van Juda de ogen uitstak, dood en verderf zaaide en nu, ter opluistering van het feest, deze gratie verleent.

En toch, er is iets van verborgen vitaliteit in dit verhaal. Het volk dat hier ondergaat en vernederd wordt heeft een stem. Het is de stem van de machteloze, de stem van een slavenvolk, dat weet heeft van een andere weg van bevrijding. Het is de stem van een volk dat weet dat het geweld dat je gebruikt zich vroeg of laat tegen je keert. Dat is geen dreigement, maar het weten van die andere weg. Een weg die door de diepte kan gaan, maar altijd de wolk en het vuur voor zich ziet. En zo weet van leven ook daar waar het donker is, een leven dat niet afhankelijk is van de wereldse macht, maar dat leeft van de woorden die in het hart geschreven staan.


27 september 2023 – Bij het Bijbelleesrooster, 2 Koningen 22:1-13

‘Ik heb hier in de tempel van de HEER een boekrol gevonden met de tekst van de wet.’

Ik lees een hoofdstuk van Heschel, ‘God zoekt de mens’, over de bijbel. De lyrische bewoordingen brengen me terug bij het boek. Het rooster vraagt me een fragment uit 2 Koningen te lezen, en daar wordt verteld dat het boek gevonden wordt. Tussen de voorraad zilver ligt de boekrol met de wet, de bijbel van het toenmalige volk Israël.

Je kunt blijkbaar een leven leven als voorouder David, doen wat goed is in de ogen van de Heer, en toch verrast worden door de inhoud van de bijbel. Geschokt zelfs, bij het horen scheurde de koning zijn kleren. De koning die tot dan toe niet afweek ter rechter- noch ter linkerhand, zoals de Statenvertaling meldt. Misschien beseft hij door dit boek dat die keurige middenweg niet alleen iets van hem persoonlijk is, maar dat er een aanspraak en een belofte is voor heel het volk en heel de aarde.

‘Ik heb het zelf uit Zijnen mond gehoord.’ Een psalmregel uit de Oude Berijming die is blijven hangen. Psalm 56, over het verband tussen vertrouwen en de ontvangen woorden. Woorden die universeel zijn, tegelijk heel persoonlijk. Ook dat was vast een aspect bij het vinden van de boekrol met de wet. Je kunt het pad van je voorouders lopen, ‘goed in de ogen van de Heer’, je kunt het ook met eigen oren gaan horen, de kracht van de bijbel ervaren. Heschel: ‘…, omdat hij een licht bevatte dat zielen deed ontvlammen.’


24 september 2023 – Bij het Bijbelleesrooster, Matteüs 20:1-16

‘Zo zullen de laatsten de eersten zijn en de eersten de laatsten.’

Het evangelie veegt de vloer aan met onze orde, onze rangordes en pikordes. Het gaat dus niet om een verwisseling, alsof nu ineens de laatsten de eerste rechten hebben. Er is meer een verwisselbaarheid, een gelijkheid. Iedere bestuurder weet hoe moeilijk het is om mensen gelijke kansen te geven. Of de zeven vinkjes van Joris Luyendijk nu wel of niet wetenschappelijk te gronden zijn, het maakt nogal wat uit waar je wieg stond en wie daar overheen gebogen stonden. Zelfs een verwisseling van posities geeft vaak niet de gewenste gelijkheid.

In het verhaal van Jezus zit de gelijkheid in de beloning. Wat de eersten toegezegd is ontvangen ze en de anderen krijgen het ook. Mij treft altijd de enorme afhankelijkheid van de arbeiders van de heer van de wijngaard. Het tekent de maatschappelijke verhoudingen van daar en toen, maar het zegt ook wel iets over de orde van het Koninkrijk van God. Het is een orde van ontvangen, van leven van wat je toegezegd en gegeven wordt. Waar de tragiek klinkt: ‘Niemand heeft ons ingehuurd’, daar klinkt de roep: ‘Ga, kom, laat zien wie je bent en wat je kunt’.

Ben ik als 70-jarige de eerste of de laatste? Met kleinkinderen van drie en zes is de vraag wie de oudste is een terugkerend item. Ik was er het eerst, toch staat papa duidelijk hoger in de rangorde, want die kan alles. En zelf hebben ze een leven voor zich, al beseffen ze dat zelf niet helemaal. De gelijkenis zegt me dat we allemaal elke dag geroepen worden, hoeveel dagen we ook nog voor ons hebben, hoeveel we onszelf ook waard vinden. Daarin ligt onze waarde besloten, de beloning is in feite die roep, die uitnodiging. Kom, ga, toon je, doe mee, je hele leven. Dat kunnen niet te overziene jaren zijn, maar ook je laatste dagen.


22 september 2023 – Bij het Bijbelleesrooster, Matteüs 19:1-15

‘Niet iedereen kan deze kwestie begrijpen, alleen degenen aan wie het gegeven is.’

Begrijpen heeft altijd iets van het licht dat je opgaat. Op de HBS ging wiskunde me gemakkelijk af, het voelde als een gave. Nog altijd fascineert het me als dingen zomaar ineens duidelijk worden. Een som, een raadsel, een truc, je ziet het of je ziet het niet. Alsof je er niets voor hoeft te doen. Ooit wilde ik een doctoraal scriptie schrijven over intuïtie, daardoor lees ik nog steeds Gadamer over hermeneutiek.

Het verstaan van teksten voelt anders dan het begrijpen van een wiskunde opgave. Wel is er ook het element van verrassing, van het licht dat opgaat, van het zomaar. Het begrijpen waar Jezus hier over spreekt is een soort inzicht, een helderheid in het zoeken van je levensweg. En dat inzicht, die helderheid moet je gegeven worden. Niet dat er niets aan vooraf kan gaan. Ik heb ook bepaalde wiskundeformules moeten leren, heb opgaven gemaakt om te oefenen, meegekeken hoe de leraar tot een oplossing kwam (en soms een fout maakte). Maar de helderheid kwam als het ware uit de wiskunde zelf.

‘Het is de openbaring die de mens in staat stelt om een openbaring te ontvangen.’ Weer een citaat van Heschel uit ‘God zoekt de mens’. Het is de vaststelling van Gadamer dat er naast de methode van de natuurwetenschappen een andere methode, een andere weg tot waarheid is. Je kunt het een cirkelredenering noemen, je kunt het ook in dankbaarheid aanvaarden en er zo open voor staan. De openheid kun je tot op zekere hoogte oefenen, het gebeuren heb je niet in de hand, dat is de gave, die je overkomt, na alles wat je wel en niet gedaan hebt.


19 september 2023 – Bij het Bijbelleesrooster, Jona 3

‘…, en Hij deed het niet.’

‘De stenen tafelen worden gebroken iedere keer wanneer het gouden kalf wordt aangeroepen.’ Heschel denkt na over openbaring, dat is een gebeurtenis in de tijd, betoogt hij. Een gebeurtenis die om een antwoord vraagt, een gebeurtenis die een verplichting inhoudt. De verplichting om de band aan te gaan, te leven in verbintenis, met de Ene, met de ander, met de aarde.

Het gouden kalf aanroepen betekent ‘ieder voor zich’, het recht van de sterkste. En als je niet sterk genoeg bent, moet je maar zorgen dat je sterk wordt, dat is de ideologie van het gouden kalf, de ideologie die in onze wereld vaak heersend is. Ook in Nineve was dat zo, maar als de inwoners de spiegel voorgehouden wordt en ze zien dat hun onrecht hun ondergang wordt keren ze de steven.

Het omgekeerde als in het citaat van Heschel gebeurt, de inwoners, inclusief alle dieren, krijgen weer toekomst. Waar de stad leeft en handelt als gemeenschap is er leven. De profetie wordt niet consequent uitgevoerd, er is altijd een andere mogelijkheid. Bovenstaande zin vervolgt Heschel met de volgende. ‘Het joodse gedachtegoed vertrouwt erop dat elk uur de mogelijkheid biedt om betekenis te geven -of te onthouden- aan alle andere uren.’ Goed om Jona 3 te lezen op Prinsjesdag.


14 september 2023 – De hel

Daar is geween en tandengeknars. Ik heb nog net niet geweend, maar de tanden werden al op elkaar gezet. Bij het lezen van het interview met professor Arnold Huygen in Trouw van vanmorgen. Over de hel, we moeten er weer (meer) over preken. De motivatie is, in het interview, bedroevend dun. Er moet wat met het kwaad, er moet recht zijn. Het gaat hem blijkbaar niet zozeer om de hel van Marokko, de hel van Libië, de hel van Oekraïne’, de hel van de bootjes op de Middellandse Zee, maar om de hel als bestemming van, ja van wie, dat weet hij ook nog niet.

De hoogleraar dogmatiek weet gelukkig nog wel te melden dat de hel voor Jezus iets te maken had met ‘er buiten staan’. Laat ik die gelijk maar inkoppen: hel is buiten het leven staan. Omdat je overspoeld wordt door geweld, door armoede of verwarring niet voor je kinderen kunt zorgen, de stemmen in je hoofd je voortdurend een andere kant op wijzen, klein gehouden bent door onmogelijke eisen. Omdat we elkaar de ruimte niet geven, op grote en kleine schaal.

Naar de hel met het kwaad, als atoomafval diep onder de grond opbergen, eeuwige loutering. Nou, daar zullen alle slachtoffers van opknappen. Weg met de goden roept het Oude Testament, weg met de uitbuiters, weg met alle ploerten. Maar dat is slechts een bijgeluid van: ga de weg van de liefde. Van de solidariteit, de saamhorigheid, wees en vorm de gemeenschap waartoe je als mensheid geschapen bent. Het enige antwoord op het kwaad is de weg van Jezus, de weg van trouw, van eerbied, van ‘vrede met u’, daar voegt de dreiging met een hel niets aan toe. Integendeel, voor je het weet relativeert het de kracht van de liefde, de kracht van de opstanding.


9 september 2023 – Bij het Bijbelleesrooster, Matteüs 17:24-18:9

‘...dat er valstrikken zijn is onvermijdelijk...’

Valstrikken, verleidingen, ergernissen, struikelblokken. Onvermijdelijk zijn ze, op de weg van het leven. Ik denk, ook door het fragment, aan het kind dat opgroeit. Onbevangen, vrij, open. En dan zijn er de momenten van frustratie, de momenten van ontkend of niet gezien worden. De momenten van geschonden vertrouwen, momenten van eis en oordeel. Onvermijdelijk op de weg van het opgroeien, omdat jij en de wereld niet samenvallen, er botst iets.

Barth zegt ergens dat er in God niets ergerlijks is, maar dat de ergernis opduikt als God in de tijd komt. Onvermijdelijk omdat God en de wereld, God en de tijd, niet samenvallen. De onvoorwaardelijke liefde van Jezus loopt uit op het kruis, zoveel ergernis roept die liefde op. Onvermijdelijk, we kunnen daar niet aan voorbij. Het is de botsing tussen letter en geest, tussen ons dagelijks overleven en het leven door de Geest.

De eenheid van ons bestaan, de vreugde en de vrede, is dat er verzoening komt. Gelukkig de mens die de valstrik niet zet, die de openheid van de ander niet misbruikt voor eigen gelijk en genot. Dat kan alleen die mens zijn die vrede gevonden heeft in zijn eigen frustraties, zijn niet gekend en gezien zijn. De mens die voorbij het oordeel is, het oordeel over zichzelf, de ander en de wereld. De mens die kan ontvangen en zo leeft in het Koninkrijk van God.


2 september 2023, Bij het Bijbelleesrooster, Matteüs 17:1-13

‘Zes dagen later nam Jezus Petrus, Jakobus en diens broer Johannes met zich mee een hoge berg op ...’

Dat zou ik ook wel willen, meegenomen een hoge berg op. En het gebeurt ook wel, bij een mooi concert, een bijzondere ontmoeting met vrienden, een mooie wandeling door het Drentse landschap. En in het leven van alledag zijn er de momenten die het goed maken, een glimlach van je naaste, een lief appje, een kopje koffie in de tuin. Zo zou het altijd moeten zijn, het is een verlangen, dat hier bovenkomt in de vorm van het opzetten van een drietal tenten.

Het verhaal beantwoordt, zo beluisterd, aan de wens om te ontsnappen aan de dagelijkse sleur en grijsheid. Aan het gepieker over het verleden, aan de de zorgen van deze dag, aan bange voorgevoelens omtrent morgen. Leven in een wereld waar we stralen als de zon, gekleed in het witte licht. Dansen in de morgen, jubelen in de middag, vrede in de avond. Op dit punt aangekomen bedenk ik dat het geloof zo wel erg gaat lijken op een romantisch verlangen. En juist daar wil ik niet in meegenomen worden, omdat het in mijn ogen een leugenachtige illusie is.

Het is Jezus die hen meenam en die ons meeneemt een hoge berg op. Typerend dat er niets verteld wordt over de moeiten en de inspanningen van het beklimmen. We worden meegenomen en uiteindelijk is daar ‘Jezus alleen’. Hij laat ons zien dat het leven niet ligt in de ontsnapping, in de beklimming noch in de afdaling. In het alleen zijn is het licht, is de straling, is de waarheid en de vrede. Alleen zijn betekent hier niet zonder elkaar, maar zonder bescherming, zonder schuilplaats, zonder tent. In dat alleen zijn kunnen alle zogenaamde topervaringen geïntegreerd worden in het leven van alledag. ‘Sta op, wees niet bang.’


31 augustus 2023 – Bij het Bijbelleesrooster, 2 Koningen 17:34-41

‘Maar ze hebben niet geluisterd en houden nog altijd vast aan hun oude gewoonten.’

Naar aanleiding van een vraag in de kennisquiz ‘De slimste mens’ filosofeerde Maarten van Rossem over domheid. Hij verbaasde zichzelf over de polariteit van slimheid en domheid. Altijd als de mensheid iets goeds heeft bewerkt of ontdekt (of misschien wel ontvangen zeg ik er bij) volgt er iets stompzinnigs. Hij noemde als voorbeeld de westerse welvaart van na de Tweede Wereldoorlog en de opkomst van het populisme. ‘Waarom, waarom?’ verzuchtte hij.

Je kunt allerlei redenen verzinnen, maar het ook gewoon constateren. Dat doet de schrijver van het fragment van vandaag. Tegenover de beloofde en deels ontvangen vrijheid vervalt Israël steeds weer in de oude gewoonten. Gewoonten die binden, die stilstand en achteruitgang veroorzaken, die tot schade zijn van mens en wereld. De enige reden die gesuggereerd wordt is dat het gewoonten zijn, gewoonten die ook overgedragen worden op de volgende generaties. ‘Waarom, waarom?’

Zonder al te veel te investeren in de vraag naar het waarom, wordt ons de spiegel voorgehouden. Zo gaat het en zo is het in de wereld die wij met elkaar vormgeven. We leven in de dwang van de gewoonten. Precies in die situatie komt het woord van bevrijding tot ons, dat is het refrein in de Bijbel. We komen er niet uit door de reden van die dwang te achterhalen, maar alleen door een nieuw woord, een scheppend woord, een woord van evangelie. En dat woord klinkt, als een licht in de nacht.


21 augustus 2023 – Bij het Bijbelleesrooster, Romeinen 11:25-36

‘De genade die God schenkt neemt Hij nooit terug’

Bij mijn lezing van de brief aan de Romeinen van Paulus grijp ik altijd weer naar ‘De brief aan de Romeinen’ van Karl Barth. Dat is geen nieuwe brief, maar een boek over de brief van Paulus, waarin hij de tekst van de apostel woord voor woord volgt. Van beide geschriften is het aantrekkelijke dat ze geen water bij de wijn doen, er nergens om heen draaien. Zowel Paulus als Barth proberen nooit hun boodschap aannemelijk te maken voor de lezer.

Dat levert steile theologie op, een ‘moeilijke Paulus’, een ‘hermetische Barth’. Met begrippen als Gods eeuwige verkiezing en zelfs dubbele predestinatie. Een theologie die velen afgestoten heeft, omdat er een dreiging van uitging. Alles uit handen geven is ook een onmogelijke opgave. Maar juist daarin ligt de ruimte van deze boodschap. We zijn niet onafhankelijk en dat hoeft ook niet. We zijn deel van een groter geheel, ‘Alles is uit Hem ontstaan, alles is door Hem geschapen, alles heeft in Hem zijn doel.’

Het aantrekkelijke, het bevrijdende ook, van deze ‘steile theologie’ is dat je het leven en de zegen niet in eigen hand hebt, omdat die je gegeven worden. Elk beetje water in de wijn van dit evangelie legt een last op ons, maakt ons verantwoordelijk voor ons leven zelf. Juist als je de wijn zuiver houdt komt er een enorme ruimte voor ons eigen zoeken en geloven, voor ons luisteren en volgen. Daar zijn door de oude schrijvers van de Nadere Reformatie boeken over vol geschreven, als ik ze doorblader zie ik dat het voortdurend gaat over onze openheid, over afzien van eigen wijsheid, over luisteren en gehoorzaamheid. En dat niet als voorwaarde voor je bevrijding, maar als het eren van de beweging van de genade.


15 augustus 2023 – Romeinen 9:19-29

‘Wie bent u eigenlijk dat u, een mens, iets tegen God zou inbrengen?’

Dit gaat niet over de verhouding van mens en God, maar over de vraag wie God is. Hoewel die vraag al een stap te ver kan zijn. De mensheid schiep zich goden, naar eigen beeld en gelijkenis. Met die goden kon je in discussie gaan, of ze wel voldeden aan het beeld en de verwachting. Met de God van de Bijbel komt daar een eind aan, vragen stellen over de daden van deze God ontkent deze God.

Geen oorzaak, maar oorsprong zegt Karl Barth. Bij de relatie van oorzaak en gevolg kun je heel wat bomen opzetten inclusief de vraag naar het waarom. Oorsprong zegt dat we onszelf niet verzonnen en gemaakt hebben, maar dat we voortkomen uit. Uit God zeggen we, uit het spreken, uit het licht, uit de liefde. Dat betekent dan ook dat we onszelf niet in leven hoeven te houden, maar dat het leven gegeven is, we zijn en worden geschapen.

In het totaal anders zijn van deze God ligt ook de betekenis, de betekenis van de openbaring, van de verschijning van Jezus Christus, van het evangelie van Gods Geest. Jesaja spreekt er al over in zijn profetie van de troost, met niets te vergelijken en daarom troost, troost. Elke vraag bij deze God, elk moeilijk doen over vermeende daden van deze God, alle twijfel -ik lees en leer het van Abraham Joshua Heschel-, is arrogantie van de mens die niet wil volgen.


9 augustus 2023 – Bij het Bijbelleesrooster, Spreuken 31:21-31

‘Ze waakt over haar huishouding’

Terwijl het in het boek Spreuken regelmatig over de opvoeding van kinderen gaat, is dat aspect opvallend afwezig in dit ‘Loflied op de sterke vrouw’. Het gaat zelfs veel over activiteiten buitenshuis, in die zin is het niet rolbevestigend. Toch pik ik er vandaag de zin over de huishouding uit, omdat die me herinnert aan een gedicht van Ida Gerhardt.

Archaïsche grafsteen

In het verscholen thijmdal,
domein der honingbijen,
de dodensteen, de stèlè.
'Metoon wijdt deze grafsteen
aan zijn verkoren Aktè,
de moeder zijner zonen,
die stierf, oud twintig jaren.
Zij heeft het brood gebakken,
zij heeft de wol gesponnen,
het huis in stand gehouden.'
De wind beweegt, de bijen
zoemen de stilte stiller;
zij arbeiden, zij fluisteren:
'het huis in stand gehouden,
het huis in stand gehouden.'

Het huis als de goede leefomgeving, de veilige toevlucht in een hectische wereld, de plaats waar je je leven kunt oefenen, waar je liefde vertrouwd wordt en je op liefde kunt vertrouwen. De kring van het gezin en familie, maar het kan ook de koffie- of biljartclub zijn, de kerk en de sportkantine. Kostbare plaatsen in een wereld waarin veel van je gevraagd wordt, waarin je steeds gewogen en geteld wordt.

Die plaatsen zijn er niet vanzelf, die moeten bewerkt en bewaakt worden. Dat doen deze vrouwen, in hun rol, maar vooral in hun kwaliteit. In het gedicht krijgt die, bedoeld of onbedoeld, zelfs een ecologische strekking. De bijen nemen het over, het is onze gezamenlijke taak om de huishouding van de aarde te bewaken. Overleven is één ding, de aarde als huis bewaken is van grotere orde.


6 augustus 2023, Bij het Bijbelleesrooster, Matteüs 14:13-21

‘Ze hoeven niet weg’

We lazen dit gedeelte in een kerkdienst waarin ik iets wilde zeggen over de troost van de tweede Jesaja. Misschien daardoor viel me deze keer in dit verhaal op dat de leerlingen de mensen die Jezus gevolgd waren weg wilden sturen. We kunnen ze niet voeden, dat moeten ze zelf maar uitzoeken. Het was voor mij ineens een beeld van de troosteloosheid van deze wereld waarin velen aan hun lot overgelaten worden. Ook wel voor de troosteloosheid van de enkeling, het gevoel dat je er helemaal alleen voor staat, dat niemand iets voor je kan doen, zoek het maar uit, zoek maar iemand die je kan helpen, maar hier is niemand. Zo word je, soms zelfs letterlijk, de woestijn ingestuurd.

De reactie van Jezus is van een onuitsprekelijke schoonheid en diepte. Hij kijkt naar de hemel, hij weet dat binnen de kaders van ons leven en denken het antwoord niet ligt. Dan spreekt hij het zegengebed uit, zo drukt hij uit dat we leven onder de zegen, leven van het gegevene en aangezegde. Tenslotte breekt hij het brood, dat is voor Matteüs het hele verhaal van zijn verschijning en aanwezigheid.

Troost is een gave, schreef een medeluisteraar me na de dienst, een gave buiten je om. Zo zag ik de troost in die drie gebaren van Jezus. We hoeven niet weg, we worden niet de woestijn ingestuurd, we hoeven ons heil niet te zoeken in een fantasie van de hemel, we hoeven ons bestaan niet te gronden in alles wat we dachten en deden. Hier, zegt Jesaja, zegt Jezus, troost, die zicht op leven geeft, die op doet staan, die het licht doet zien in deze dag en die van morgen. Iedereen at en er was nog over.


29 juli 2023 -- Bij het Bijbelleesrooster, Spreuken 30:1-9

‘Ik ben zo moe, mijn God, zo moe, ik kan niet meer.’

Beetje bij beetje bekijk ik de aflevering van ‘Zomergasten’ met Thomas Hertog, theoretisch natuurkundige. Over de oerknal, het heelal en zwarte gaten. Fascinerend, soms verbijsterend, ongrijpbaar en soms begint er iets te dagen. Ook over weten en niet weten in de wetenschap, over de wijze van weten, over waarnemen en ons aandeel daarin.

Misschien is de mens die in Spreuken 30 aan het woord komt ook wel moe van de hoeveelheid kennis die op hem afkomt. Je kunt je daar nietig van gaan voelen en ook gaan beseffen hoe weinig je echt weet. Geen inzicht, geen wijsheid en van de Heilige weet ik niets. Geen God achter de knoppen en geen natuurwetten als verklaring van het al. Zover is de moderne wetenschap, misschien niet eens zoveel verder dan deze spreukendichter.

Zijn gebed is tweeledig: houd mij bij de waarheid en geef me wat ik nodig heb. Dat is geen statische positie, maar een weg, een leven, een ontwikkeling, een reageren op de omstandigheden. Ik denk vandaag aan de openheid, het luisteren, ook het zich verwonderen van de wetenschapper. En de bereidheid om alle eigen weten op te geven voor een glimp van de waarheid.


24 juli 2023 – Bij het Bijbelleesrooster, Psalm 119:49-56

‘Dit is de troost in mijn ellende’

Psalm 119 gaat over het leven en de dichter maakt er geen geheim van waar dat leven vandaan komt. ‘Slechts in uw spoor kan leven leven zijn.’ De mens wordt tot leven geroepen, gewekt door de woorden van de Heer. Dat kun je schepping noemen, dat kun je verlossing of bevrijding noemen, het gaat om hetzelfde, om het ene, om het primaat van de Ene.

Dat is de ervaring en de vreugde van deze zanger. Het is voor hem en haar de eenmalige en de steeds herhaalde overgang naar het licht. Er is ellende, niet thuis zijn, vreemdelingschap, eenzaamheid. En er is troost, breuk met het duister, nieuw zicht, zicht op een werkelijkheid die eerder uit het zicht was, versluierd, verduisterd. Door tegenstemmen, tegenwerking, door pijn en leegte, gemis en verdriet. Ellende.

Troost is het zien van de ene werkelijkheid, de werkelijkheid waarvan de woorden van de Heer spreken, de werkelijkheid die Jezus het Koninkrijk van God noemt. Troost betekent dat je anders gaat zien, dat je gaat zien dat de ellende, het duister en het onrecht, de pijn en het lijden, nooit het laatste woord hebben. ‘Dit is de troost in mijn ellende: dat uw belofte mij doet leven.’


20 juli 2023 – Bij het Bijbelleesrooster, Psalm 119:41-48

‘Dan kan ik antwoorden wie mij bespot’

Veel is er wat met het leven spot, ik lees deze tekst iets minder persoonlijk dan hij hier klinkt. De overweldigende overmacht van het geweld spot met het leven van mensen die met elkaar en voor elkaar leven. Die werken en zorgen voor hun kinderen, die de aarde voorzichtig bouwen en bewaren. En alles kan in een enkele klap beëindigd worden, het is schandelijk, het is spotternij. Zo spot ook de dood van de enkeling, mijn dood, met de kostbaarheid van het leven.

‘Wat is je verweer?’ vroeg ik wel aan mensen die aan dergelijke spot ten onder dreigden te gaan, eronder leden. Ik vroeg niet naar een uitweg, maar naar een antwoord. Mijn aandacht voor deze dag, mijn dankbaarheid voor het licht, mijn liefde voor mijn kleinkinderen, mijn genieten van de natuur, zomaar een paar dingen die ik zou kunnen zeggen. Een antwoord dat niet het laatste woord aan de spot geeft, aan de ontkenning van het leven.

Dat antwoord gaat altijd over de waarde van het leven, over de waarheid van liefde en trouw, over de kracht die in het kleine ligt. Dat antwoord wordt ons voorgesteld door de woorden en beloften van de Ene, verwoord in de Thora. Dat antwoord is een vertrouwen, is het vertrouwen van Israël, is het vertrouwen van Jezus, is het ja tegen de stem die tot ons spreekt van trouw en redding.


14 juli 2023 – Bij het Bijbelleesrooster, Matteus 12:33-42

‘Addergebroed!’

Jezus zou de kwade geesten kunnen verdrijven, omdat hij hulp krijgt van ‘de grote kwade geest’. Alles staat hier op het spel, alles waar Jezus voor staat, de vrijheid, de waarheid, de eerbied, de lofzang. Jezus reageert zeer heftig op het verwijt, met sterke beelden, culminerend in dit scheldwoord, ‘addergebroed’.

De Farizeeën zijn op het oog de kwaadsten niet. Een groep gelovige Joden, die de wet zeer serieus nemen en in praktijk brengen in hun eigen leven. Maar hun overtuiging lijkt een soort eigen gelijk geworden, een eigen gelijk waarin ze gevangen zitten. Vanuit die bubbel spreken ze het oordeel over Jezus uit. Juist over hem, omdat hij de woorden van de wet ook serieus neemt, maar er niet in gevangen blijkt te zitten.

Zo begrijp ik deze ongewoon felle toon van Jezus. Tegen een tot ideologie geworden geloof valt weinig tegen in te brengen. Schelden helpt waarschijnlijk ook niet, daarvoor is het in onze maatschappij te gewoon en algemeen voor geworden. Maar misschien schudt het wakker, maakt het een enkeling bewust van de binding waarin hij of zij leeft. Door dit felle woord van hem die vanuit geen enkele binding wil spreken, maar alleen op gezag van de liefde.


13 juli 2023 – Bij het Bijbelleesrooster, Matteüs 12:22-32

‘… hij was blind en kon niet spreken. Jezus genas hem, zodat hij kon spreken en zien.’

Een profeet ziet en spreekt. Hij ziet zijn tijd, zijn tijdgenoten en de wereld om hem heen in het licht van de openbaring van de Heer, de thora. En wat hij ziet spreekt hij uit, confronterend en troostend. Wat hij ziet is in het perspectief van de woorden van God, wat hij zegt geeft nieuw perspectief op die woorden.

Matteüs heeft net een grote profeet van Israël, de tweede Jesaja, geciteerd en vertelt direct daarna over deze genezing. Heel kort, dat deze mens kon spreken en zien is voor hem hier genoeg. Zo kan de profetie, die hij in Jezus vervuld ziet worden, doorgaan. Dit is het alternatief voor de kwade geest die deze mens, en zoals deze mens de wereld, beheerst.

De kwade geest, de stem van de wereld, geeft veel beelden, maar ziet niets, maakt veel lawaai, maar heeft niets te zeggen. Glitter en grootspraak, een dubbele leugen. Jezus geneest en waar hij geneest gloeien lichtjes op van wijsheid en waarheid. Daar komt die geheimzinnige dienaar van de Heer uit Jesaja tot vorm en wordt een factor in de geschiedenis van mensen en deze wereld.


4 juli 2023 – Bij het Bijbelleesrooster, Matteüs 11:20-30

‘… niemand kent de Vader behalve de Zoon’

Discussies over het bestaan van God gaan meestal buiten het evangelie om. Misschien wel altijd. Op de een of andere manier zijn het altijd pogingen om God in te passen in ons wereldbeeld, een wereldbeeld waarin al lang geen plaats meer is voor God. Verademend vind ik uitspraken als deze, waarin het kennen van God, en dan al direct in heel specifieke zin, verbonden wordt met de verschijning van Jezus.

Ik denk dat Jezus hier meer zegt dan dat kennis van God iets van hem alleen is. Het is meer: niemand heeft weet van God, de Vader, dan wie de Zoon is. Alleen door de Zoon te zijn kun je weet hebben van God. Nog preciezer: deze Zoon zijn is het kennen van God. God kennen is niet een extra bonus bij het Zoon zijn, Zoon zijn is het leven, de heelheid, het deelhebben aan de eenheid van hemel en aarde.

Zo passen de woorden over rust die volgen bij deze uitspraak van Jezus. De weg van Jezus gaan, één zijn met hem, is leven, is rust, is vrede. Daar stopt het gepieker over hoe hogerop te komen, over hoe het leven te leven en te behouden, over hoe in de smaak te vallen bij de mensen en bij God. Dan leef je, dan vind je werkelijk rust, in leven en sterven.


28 juni 2023 -- Goede wind

Op Texel zag ik een huis met de naam ‘De wind is goed’. Nu reed ik op een fiets met trapondersteuning, dan sta je niet zo stil bij de wind, letterlijk en figuurlijk niet. Goed om dan even aan de wind herinnerd te worden. Zonder wind geen stuifzand, geen duin, geen Texel.

‘En God zag dat het goed was’. Het refrein in het lied van de schepping zoals we dat lezen in Genesis 1. Zo worden we uitgedaagd het goede te zien in de schepping, in het water en de grond, in de zon en de regen, in de plant en in het dier. Te kijken met verwondering en dankbaarheid. ‘De wind is goed’: de beweging, de verandering, de voortdurende schepping van nieuwe vormen.

In de Bijbel is de wind een symbool voor de geest van God, de geest die nieuw maakt, de geest die levend maakt. Niet in de vastigheid, in het behoud van alles ligt de waarheid, maar in de wording. Goed om dat op je huis te zetten, gebouwd van hout en steen, op een stevig fundament, bestand tegen de krachten van de natuur, een zekerheid voor jou en je gezin. En toch: ‘De wind is goed’. Hier wonen we, maar we weten van gaan, van opgenomen worden, van nieuwe plaatsen en tijden.


21 juni 2023 – Bij het Bijbelleesrooster, 1 Timoteüs 4:11-16

‘...maak het je eigen...’

Je kunt de woorden van het evangelie horen als wijze levenslessen, als tips voor een beter leven, als aanwijzingen voor een verantwoord bestaan. Maar het evangelie zelf wil meer. De woorden en daden van Jezus willen de ruimte zijn waarin je leeft, de lucht die je inademt, het bloed dat door je aderen stroomt. ‘Maak het je eigen’, dat verhaal dat jou overgeleverd is, dat je gehoord hebt uit de mond van je moeder, je vader, je leraren, gelezen hebt bij profeten en apostelen.

‘Maak het je eigen’. Je kunt je een vaardigheid eigen maken, een ambacht, een sport, een taal. Daar kun je zo ver in gaan, dat je bijna samenvalt met die vaardigheid, dat het iets van jezelf wordt. Hier wordt nog iets omvattenders bedoeld. Maak je het leven van Jezus eigen, laat zijn leven jouw leven worden. Letterlijk schrijft Paulus hier: ‘Wees hierin’. Laat dit jouw bestaan zijn, dan zul je daar ook in groeien.

Zoals wel vaker in het evangelie vallen weg en doel hier samen. Het is het leven van genade waaraan je je overgeeft en juist die overgave, het loslaten van alles wat je bindt, is de genade, is het evangelie, is het leven van Jezus. Timoteüs krijgt het te horen in het kader van zijn taak in de gemeente, in het doorgeven van de goede woorden. Maar dat maakt niet uit, het geldt precies hetzelfde voor alle volgelingen van Jezus: zo ‘red je zowel jezelf als hen die naar je luisteren.’


4 juni 2023 – Bij het Bijbelleesrooster, Psalm 119:17-24

‘Ik ben een vreemdeling op aarde’

Vreemdeling op aarde zijn, daar kun je heel poëtisch over doen, romantisch, over dolende zielen, over zwoegen en zuchten. In het kader van deze psalm heeft dit vreemdelingschap alles te maken met het je richten op de woorden van God. Woorden die spreken van vrijheid en verantwoordelijkheid, vaak dwars ingaan tegen de tijdgeest. Ik denk bij het vreemdeling zijn aan onwennigheid naar twee kanten.

Onwennigheid naar de wereld om je heen, een gevoel van afstand naar wat gebruikelijk als normaal gezien en beleefd wordt. De woorden van de Heer halen je uit je bubbel van vertrouwde gewoontes en vertrouwde behoeftes. De sluier wordt van je ogen gehaald en je gaat het wonder zien: dat je leeft van liefde en genade, dat je niet afhankelijk bent van wat je presteert en verdient. Dat er een andere weg is dan de ratrace die je nooit wint.

Maar die andere weg is echt een andere weg, een weg van luisteren, van overgave, van vertrouwen. En dat zijn we niet gewend, dat zit niet in ons systeem van overleven. Ook met het oog op die weg kun je jezelf een vreemdeling voelen. Vandaar de bede de geboden niet te verbergen, niet vreemd te houden, laat ze me eigen worden. Tegenover deze onwennigheid staat het wennen, wennen door te verblijven in deze woorden. Wennen: ‘Uw richtlijnen verheugen mij, ze geven mij goede raad.’


1 juni 2023 – Bij het Bijbelleesrooster, Spreuken 24:1-12

‘Alleen een wijze heeft kracht’

Het boek Spreuken is niet het eerste bijbelboek dat ik lees ter inspiratie. Er staan mij al te veel algemene waarheden in. Ik verwacht in een bijbelpassage een aankondiging van de breuk met de wereld zoals die zich ons dagelijks toont, een verwijzing naar de dimensie van de hemel. Daar zoek ik dan ook naar als ik een passage als deze lees. Twee woorden komen dan naar voren, wijsheid en waarheid.

‘Wir haben es nicht gewusst’. Zeg dat niet, zegt Spreuken. Wij hoeven niet te oordelen over de waarheid van de verontschuldiging, de waarheid ligt elders, ligt bij hem die de harten doorgrond. Dan gaat het over motieven en dwalingen, over vlucht en angst. Dan komen onze daden in het licht te staan van wat Spreuken wijsheid noemt.

Die wijsheid komt in dit boek ook voor als vrouwe Wijsheid. Wijsheid is niet de leer van de algemene waarheden, de inzichten die elk weldenkend mens wel zal beamen. Wijsheid gaat hier niet over het algemene, maar over het bijzondere. Het bijzondere van de schepping, van het gewenste en gegeven licht, en dat is in de Bijbel ook altijd het bijzondere van de bevrijding. Het bijbels eigene van een passage als deze is dat er überhaupt wijsheid bestaat, tegenover het banale, het dagelijkse, de vermeende macht van het kwaad. En die wijsheid maakt een mens tot mens, waarvan, tegen alle blijken in, gezegd kan worden: alleen een wijze heeft kracht.


28 mei 2023 – Bij het Bijbelleesrooster, Psalm 119:9-16

‘Uw belofte heb ik in mijn hart geborgen’

Psalm 119 is een lofzang op de wet, de woorden van de Heer. Preciezer gezegd: op de samenhang van die woorden en het leven. Wet en leven vormen in deze psalm een organisch geheel. De dichter kan zich zijn leven niet voorstellen zonder de woorden, de beloften, de aanwijzingen, de voorschriften van de Thora. ‘Na de dag waarop de stem van God op de Sinaï ons overweldigde, zijn we nooit meer dezelfden geweest.’ Zo beschrijft Heschel die samenhang van wet en leven.

De dag waarop Heschel duidt is de vijftigste dag na het Pascha, het joods Pinksteren dus. Het feest van de wet die leven geeft, die leven doet. Het gaat dus niet om regels, over wat moet en mag, maar het is de beschrijving van het leven zelf. Zo zal leven leven zijn, leven in de ruimte die je aangeboden krijgt in de woorden van de Heer. En we zullen nooit meer dezelfden zijn. De woorden van God hebben een onontkoombaarheid, die tegelijk bijna een vanzelfsprekendheid wordt, ‘in mijn hart geborgen’.

Die onontkoombaarheid en vanzelfsprekendheid worden opgepikt in het christelijke Pinksterfeest. Het verhaal van Jezus, de mensgeworden wet, is geen herinnering die je eventueel toe kunt passen in je leven. Nee, sinds de eerste ontmoeting met hem zijn we nooit meer dezelfden geweest. Het is de ruimte van ons leven, onze weg en waarheid. Met Pinksteren vieren we de onontkoombaarheid daarvan en dat het op een vanzelfsprekende manier ons leven vervult. En vooral het feestelijke daarvan.


25 mei 2023 – Bij het Bijbelleesrooster, Jakobus 5:7-12

‘… geduld … geduldig lijden … standvastig’

We zijn bij Jakobus in de leer. Drie gedaanten van de christelijke gemeenschap noemt hij hier, van het christelijke leven.

De eerste is geduld, dat is een houding die we vanuit de hemel aangereikt krijgen. Het is in de eerste plaats de trouw van de Heer, die ruimte geeft aan de aarde en het leven op aarde. In dat spoor geven we elkaar de ruimte, ook als het niet helemaal volgens onze normen en patronen gaat. We wachten de oogst af, we zien wat er van komt. Het is wel een wachten waarin het zicht op de bevrijding, de nieuwe hemel en de nieuwe aarde een gegeven is. ‘De zachte krachten zullen zeker winnen in ‘t eind.’ Geduld, tot de Heer komt: in het licht van het komen en gekomen zijn van de Heer.

In het leven van alledag, op deze aarde, komt er een tweede gedaante aan het licht: geduldig lijden, noemt onze vertaling het. Het is de houding van Jezus die het kwaad ondergaat, niet omdat hij machteloos is, maar omdat hij uit een andere bron wil leven. Lankmoedigheid, gelatenheid, kwaad-verdragen, dat zijn woorden uit andere vertalingen die iets aangeven van wat Jakobus hier bedoelt. Dit is de houding die het mogelijk maakt om te zoeken naar andere wegen dan geweld met geweld te beantwoorden. Hier ligt de inspiratie voor velerlei geweldloos protest en verzet.

Tenslotte noemt hij standvastigheid, volharding. Niet voor niets noemt hij Job als voorbeeld. De mens die het niet nam dat hij onderging, dat klopte niet, dat was zijn bestemming niet. En hij bleef vragen ‘waarom’ en nam geen genoegen met welke verantwoording dan ook. Hier zijn we bij de kerk als protest tegen de gang van zaken in de wereld, de opstand tegen onrecht, het zich niet neerleggen bij hoe het nu eenmaal is.

En alle gedaanten van het christelijk bewustzijn komen samen in de eenheid waarmee Jakobus dit fragment besluit: ‘De Heer is immers liefdevol en barmhartig.’ Dat is de ene waarheid over de God van Israël, dat is de weg, de waarheid en het leven in Jezus. Daarvan weten we in het geduld, daardoor kunnen we leven temidden van het kwaad, dat beweegt ons tot een leven dat anders is.


21 mei 2023 – Bij het Bijbelleesrooster, Psalm 39

‘...bij u te gast...’

In dit lied pelt een mens zichzelf helemaal af. Hij spreekt niet, daarmee mist hij de rechtvaardiging voor zijn bestaan tegenover de ander. Hij weet dat hij daarvan niet leven kan. Hij beseft vervolgens dat zijn leven beperkt is, ‘niet meer dan lucht’. Tenslotte ziet hij in dat hij ook niet kan leven van zijn verdiensten, hij is tekortgeschoten. En dan noem ik nog niet eens alle gradaties, alle laagjes, in het afpellen. Nogmaals is zijn conclusie: ‘Niet meer dan lucht is de mens.’

Terwijl ik vandaag deze woorden overdacht, kwam ik in de krant een gedicht tegen van Henk van der Waal (uit zijn bundel ‘De letterkast van het onvoltooide) dat wel lijkt geschreven bij deze psalm. Lees maar mee.

je bent je bot
je bot is jou
jij
(...)
die te leen heeft gekregen
wat ie zelf is
in plaats van vrij ben je
een horige met een krakkemikkige stamboom
die voor ie het weet is verdreven
van wat ie te pacht kreeg

Tot op het bot afgepeld, niets blijft er over van de zelfstandige, vrije, autonome persoon, ‘een horige met een krakkemikkige stamboom’. En wat je bent heb je te leen gekregen, te pacht. Het komt dichtbij de woorden van deze psalmist, die weet als gast te leven. Ik laat God even weg, dat doet deze psalmdichter ook, in gedachten, ik citeer hier de Statenvertaling: ‘Wend U van mij af, dat ik mij verkwikke, eer dat ik heenga, en ik niet meer ben.’ Let even niet op mij, laat mij er zijn zoals ik ben, als wat ik ben, een adem, niet meer. Eens, en dat moment is misschien niet zo ver weg, zal ik er niet meer zijn, maar zo, als ‘niet meer dan lucht’ zal ik opleven, zonder pretenties, zonder verantwoording, zonder het bewerkt te hebben, zonder goddelijke garantie. ‘Vader, in uw handen beveel ik mijn geest.’


19 mei 2023 – Bij het Bijbelleesrooster, Jakobus 3:1-12

’… er is geen mens die de tong kan temmen, dat onberekenbare kwaad, vol dodelijk venijn.’

Volgens Tom Naastepad gaat het in dit fragment om de tegenstelling leermeester en leerling. Leermeesters zijn betweters, verheffen zich boven het gegeven woord. Vroeg of laat zijn het ideologen en propagandisten. Zeker in de kerk zijn leermeesters dodelijk, voor de kerk zelf, maar vooral voor de samenleving. In de gemeente van Christus gaat het om leerling zijn, luisteren, horen, ontvangen. Zo representeert de kerk het alternatief voor de wereld, die leeft van eigen gelijk en eigen belang.

De tong staat symbool voor het spreken en we kennen als in geen andere tijd de kracht van het spreken. De verwoestende kracht, in leugenachtige propaganda, in verleidelijke reclame, in ideologische misinformatie en in de complottheorieën. Om nog maar niet te spreken van de risico’s van kunstmatig intelligentie. En de roddel die zo oud is als de wereld en ook in onze tijd welig tiert.

Het alternatief is niet het weerleggen van al die woorden, maar om het leerling zijn voor te leven. Niet eerst te weten, niet beginnen met het oordeel, maar te weten van het woord dat mens geworden is. Luisteren en gehoor geven betekent niet meer en beter te weten, maar anders te leven. Te leven in vertrouwen dat de weg ons voorgegaan en voorgegeven is en op die weg ons leven vorm te geven.


18 mei 2023 – Bij het Bijbelleesrooster, Psalm 68:20-36

‘Onze God is een reddende God’

Een mooie psalm voor op het feest van de majesteit van Jezus, Hemelvaartsdag. We zongen het met overgave in de berijming van 1773: ‘Gij voert ten hemel op, vol eer’. In de Nieuwe Berijming is deze psalm herdicht door Willem Barnard met veel echo’s van de eerdere berijming: ‘Zie hoe de Heer ten hemel vaart’.

Ook het ontzag is gebleven in dat geliefde couplet dat begon met: ‘Geloofd zij God, met diepst ontzag!’. Het werd: ‘God zij geprezen met ontzag.’ Te mooi om niet verder te citeren.

God zij geprezen met ontzag.
Hij draagt ons leven dag aan dag,
Zijn naam is onze vrede.
Hij is het die ons heeft gered,
die ons in ruimte heeft gezet
en leidt met vaste schreden.

Het gaat in deze psalm om de kern van het wezen van God, de Here Here, de God van Israël. ‘Onze God is de beste’ zongen Van Kooten en De Bie, maar zo spreekt Israël niet over de Heer. ‘Onze God is een reddende God.’ Wie over God spreekt spreekt over bevrijding. Er staan stevige passages in deze psalm, ze worden gezongen als een visioen van een wereld waar we naar hunkeren. Dat alle krachten en machten die leiden tot verwoesting van leven en aarde verwaaien, als stof in de wind. Hemelvaartsdag: de ruimte is aan Jezus en het is onze ruimte, de ruimte van het leven. Nog even 1773:

Gij koninkrijken, zingt Gods lof;
Heft psalmen op naar ‘t hemelhof,
Van ouds Zijn troon en woning.


16 mei 2023 – Bij het Bijbelleesrooster, Jakobus 2:14-26

‘...hoe het geloof ten volle verwezenlijkt wordt in daden.’

Moralisme staat tegenover geloof. Het was het verwarrende van de kerk in mijn jeugd, waar altijd gepreekt werd over onverdiende genade, maar waar tegelijk een streng te handhaven stelsel gold van wat moest en niet mocht. Misschien komt daar mijn intuïtieve afkeer van moralisme in de kerk wel vandaan. Het ontkent het evangelie.

Die ontkenning ligt in de suggestie dat je met goede daden iets kunt bijdragen aan een leven in vrijheid, dat je zo je eigen redding kunt veroorzaken. Het maakt ons tot de kleine ondernemers van ons eigen levensgeluk of zo je wilt ons zielenheil. De vrijheid die in de Bijbel altijd geschonken vrijheid is, bevrijding, kun je zo wel vergeten. In het moralisme wordt de weg van het doel gescheiden, goede daden worden instrumenteel gezien. Dat betekent ook dat de horizon van het moralisme beperkt is. Je hoeft maar zoveel goede daden te doen als nodig voor het te bereiken doel: een goed burger zijn, een mooi leven hebben, een plekje in de hemel verkrijgen of wat dan ook.

Jakobus is geen moralist. De daden die hij noemt, zie zijn voorbeelden, zijn uitingen van vertrouwen. Weg en doel zijn bij hem niet gescheiden en de daden waar hij op duidt zijn niet gelimiteerd. Integendeel, ze vormen het leven in geloof, dat in die daden ten volle wordt verwezenlijkt. Ten volle is hier een sleutelwoord, het is de overvloed van het leven met de woorden, de liefde en de genade, van Jezus.


14 mei 2023 – Bij het Bijbelleesrooster, Jacobus 1:19-27

‘En aanvaard zo de boodschap die in u is geplant en die u kan redden.’

Jakobus staat bekend als de apostel van geloven en doen. En voor je het weet is het ‘niet geloven, maar doen’. Luther zag de brief als een bedreiging van het evangelie van de bevrijdende genade. Alsof Jakobus zegt dat het voor je redding aankomt op je goede werken. Ik lees de brief op mijn manier, die is uiteraard ook gekleurd, maar dat kan niet anders.

In ieder geval kan ik mij beroepen op zinnen als deze, die ook in de brief staan, hoewel de vertaling nog wel hoofdbrekens oplevert. Jakobus pleit voor zachtmoedigheid, maar gaat dat nu over zachtmoedigheid als alternatief voor onze agressie of over het aanvaarden van de boodschap in zachtmoedigheid? Misschien maakt het niet zoveel uit als je bedenkt dat zachtmoedigheid iets te maken heeft met luisteren, met niet je gelijk willen halen, met overgave zelfs.

De daden waar Jakobus over spreekt zijn in de eerste plaats het gevolg van een overgave, van een afzien van eigen gelijk en voordeel, met je voegen in de regels van de nieuwe samenleving die het Koninkrijk van God is. Dat betekent vertrouwen, ‘de boodschap aanvaarden’, dat is niet anders dan geloof. En dat geloof is altijd, maakt deze apostel ons duidelijk, levensveranderend.


11 mei 2023 -- 70

Bij mijn verjaardag, deze verjaardag, een gedicht van Herman de Coninck.

Weggaan. En terugkomen.
Dromen. En niet meer dromen.
En niet meer weggaan.

Een echte weemoed, niet om hoe het vroeger was,
maar om hoe het ook vroeger nooit is geweest.
Kopland zou zeggen: een ziekte die je nooit had,

waarvan je nooit geneest,
of zo. En alles wordt bedachtzamer.
Je bent in mij als schemer in een kamer.

Lezen en herlezen, stil worden en weer opkijken. Prachtig beeld in de laatste zin. Die ‘je’ is vandaag een getal, in mij als schemer in een kamer. Mijn moeder hield ‘s avonds zo lang mogelijk de lamp uit, ze hield van de schemer. Schemer verzacht, schemer nodigt ook uit, belooft iets. Vraagt om bedachtzaamheid. Een ontvangende houding die wakker is. Vandaag 70, blij en dankbaar.


8 mei 2023 – Bij het Bijbelleesrooster, Nehemia 12:44-13:3

‘Na het horen van deze wettelijke bepalingen zette men alle vreemdelingen apart van de Israëlieten.’

Intern worden de zaken goed geregeld, de tempeldienaars die vrijgesteld zijn voor de dienst in de tempel krijgen hun deel. Anders is het met de vreemdelingen, die worden apart gesteld. Dat is op grond van de wet die ze gelezen hebben, mensen die ooit Israël in nood weigerden te helpen horen er niet bij. Terwijl er nu niets aan de hand is (of wel?), worden ze op grond van deze uitspraken in de wet geweerd.

Je zou de wet ook anders kunnen interpreteren. Juist die wet spreekt over het verwelkomen van de vreemdeling, met als motief dat het volk zelf ooit in vreemdelingschap geleefd heeft. Je zou ook kunnen zeggen dat deze wetsregels benadrukken dat er voor vijandschap jegens de vreemdeling geen plaats is in het beloofde land.

Een scherpe grens tussen Jood en niet Jood. Paulus heeft de grens ontkend, als opgeheven gezien, maar in de wereldgeschiedenis speelt hij tot op de dag van vandaag. Uit de docuserie ‘Het beloofde land’ leer ik dat er ook in de moderne tijd kansen geweest zijn, uitgestoken handen ook. Maar in het huidige Israël is het steeds meer de letter van de wet waar een beroep op gedaan wordt, ten koste van de zogenaamde vreemdeling. Israël loopt daarin niet achter op vele andere landen, maar een lichtend voorbeeld is en wordt het zo niet. Een bron van verdriet en zorg voor hen die leven met het bijbelse ideaal van het beloofde land.


3 mei 2023 – Bij het Bijbelleesrooster, Nehemia 9:29-37

‘Wij leven in grote ellende.’

‘Waaruit kent gij uw ellende?’ Het is de derde vraag in het oude leerboek van de kerk, de Heidelbergse Catechismus. In die vraag wordt al heel wat verondersteld. De vraag staat lijnrecht tegenover onze facebook tijdlijnen en groepsapps. Die staan vol met vakantiefoto’s, lekker eten en grappen en plagerijen. De vraag veronderstelt dat het niet goed gaat met ons, dat we niet thuis zijn, dat we een schaduwleven leven, dreigen kopje onder te gaan onder angst en zorg.

Het antwoord doet er nog een schepje bovenop: ‘Uit de wet Gods.’ Nog eens een wending, het gaat blijkbaar niet over mijn gevoel het wel eens rot te hebben, me niet lekker te voelen. Het gaat over de ervaring van het volk Israël bij het horen van de wet uit de mond van Ezra. Het verhaal van de komst van het licht, van hemel en aarde, het verhaal van bevrijding, van uittocht en beloofd land. Het verhaal van de waarheid over ons mensen: tot licht en vrijheid bestemd en geleid. Bij het horen daarvan was er het besef van hoe dat leven niet geleefd werd en wordt.

Dat besef kun je alleen ten volle toelaten als je weet hebt van redding, van bevrijding, van opstanding. Alleen in het licht van de trouw, het geduld en de genade van de Heer, kun je je eigen verlorenheid ten volle beleven en toegeven. Zo is het geduld van God en de schuldbelijdenis van het volk in deze passages van Nehemia met elkaar verknoopt. Karl Barth in zijn ‘De brief aan de Romeinen’: ‘Als de mens daadwerkelijk (…) op de vraag ‘wie ben ik?’ is gestuit, dan heeft hij God lief.


30 april 2023 – Bij het Bijbelleesrooster, Nehemia 9:1-8

‘… zij beleden schuld voor hun zonden en voor de wandaden van hun voorouders.’

Excuses passen in een tijd waarin niet meer over schuld gesproken wordt. Dat was de teneur van een artikel dat ik laatst las naar aanleiding van de excuses van de overheid voor zaken als het slavernijverleden en het kolonialisme. Er zijn dingen waarvoor geen verontschuldiging is, waarvoor je alleen schuld kunt belijden, aldus de auteur.

Het is mooi als de gemaakte excuses betrokkenen goed doen, maar het heeft in mijn ogen altijd iets oppervlakkigs. Die gedachte kwam weer boven bij het lezen van deze passage in Nehemia. Het is bijna onvoorstelbaar dat een volk dit doet. Na de herbouw van de stad der steden, het opnieuw lezen van het boek der boeken en het vieren van Soekot, het feest van het leven van Gods genade. Vasten, boeten, schuldbelijdenis. Voor hun zonden en voor de wandaden van hun voorouders.

Het is Israël, het volk dat weet dat het leeft van de bevrijdende daden van de Heer. En ook weet dat het die bevrijding steeds weer vergeet. Ze wilden op een gegeven moment zelfs weer liever slaven zijn in Egypte. Zo wurmen we onszelf steeds weer de gevangenschap in. Daarvoor schuld en boete. Excuus heeft iets van: nu kunnen we weer overgaan tot de orde van de dag. Schuld en boete vraagt om een nieuw begin, een begin als de schepping ooit, een tot nieuw leven geroepen worden.


29 april 2023 – Bij het Bijbelleesrooster, Nehemia 8:13-18

‘De hele gemeenschap die uit de ballingschap was teruggekeerd maakte loofhutten en ging erin wonen.’

Door het dak van de loofhut moeten de sterren zichtbaar zijn. Tijdens het jaarlijkse loofhuttenfeest woont men in de open lucht. Het is een herinnering aan de woestijntijd, na de bevrijding uit Egypte, op weg naar het beloofde land.

Bijzonder dat juist nu dat beloofde land weer in zicht komt, in de vorm van muren om Jeruzalem, dit feest als eerste gevierd wordt. Heb je eindelijk weer een solide stad, ga je in een optrekje van takken en bladeren wonen. Mooie symboliek: ken je kwetsbaarheid temidden van alle zekerheden die je je gebouwd hebt en weet dat je leeft als in de woestijn, onder de wolk en het vuur die je wijzen en verlichten.

Bij de symboliek van de loofhut komt de dagelijkse lezing uit het boek van de wet van God. Dat is in Israël niet het boek van de grenzen, van de inperking van je vrijheid, maar het boek dat voortdurend herinnert aan de bevrijding uit het slaafse bestaan. Die bevrijding is altijd weer het motief voor de goede omgang met elkaar en met de wereld om je heen.


21 april 2023 – Bij het Bijbelleesrooster, Nehemia 5:1-13

‘Alle aanwezigen riepen: ‘Amen,’ en ze loofden de HEER. Iedereen kwam zijn belofte na.’

Nehemia leeft en werkt in de 5e eeuw voor Christus. De wereldmacht is Perzië, koning Artaxerxes bepaalt de grote lijnen in het Midden-Oosten. Nehemia krijgt van hem toestemming om de muren van Jeruzalem te herbouwen als landvoogd van Juda. We lezen van sociale tweedeling en de mensen die leven in armoede komen bij hem. Ze zitten diep in de schuld en moeten hun kinderen zelfs als slaven verkopen.

Nehemia wordt woedend als hij dat hoort en beseft dat deze mensen steeds dieper in de schuld komen en er zo nooit meer uitkomen. Dit is strijdig met alles waar Jeruzalem voor staat, eerder werden Joodse volkgenoten die in vreemde slavendienst terecht gekomen waren vrijgekocht. En nu gebeurt dit, intern in Jeruzalem onder het Joodse volk. Als hij pleit voor het kwijtschelden van alle schulden en het teruggeven van land en huis gaat de bezittende klasse akkoord. En iedereen kwam zijn belofte na.

Te mooi om waar te zijn. Zo gaat het niet in de wereld, al zullen er best wel eens rijken zijn die een deel van hun rijkdom weggeven. Toch vertelt Nehemia het zo en hij doet het in het kader van het verhaal van het Oude Testament, over de Heer die zich toont en het volk leidt tot vrijheid en gerechtigheid. ‘Ontzag voor God’ is zijn grote argument en waar in dat ontzag geleefd wordt gebeuren er dingen te mooi om waar te zijn. ‘We zullen alles teruggeven en niets vorderen’, en ze loofden de Heer. Ze begrepen zichzelf, niet als machtigen, maar als mede ontvangers van de genade en die genade is in de Bijbel de blauwdruk voor het samenleven.


16 april 2023 – Eenheid is de maatstaf

‘Het is niet juist dat wij op God wachten, alsof hij nooit de geschiedenis binnengekomen was.’

Om in dikke hoofdletters te schrijven boven alle adventsvieringen waarin het toneelstukje opgevoerd wordt van een kindje dat nog moet komen. Heschel moet daar zeker niets van hebben. Er is geen neutrale plek waar je kunt leven als niet aangeraakt door het licht, door de liefde, door God. Onze godsdienst, ons geloven, kan nooit betekenen dat we een wereld zonder tekenen van God omtoveren in een wereld waarin God ineens wel aanwezig is. De aanwezigheid van God gaat aan alles vooraf.

Verderop in het boek zal Heschel spreken van de geschiedenis als de vervulling van de waarheid. ‘Het woord is vlees geworden’, zegt de latere kerk. Heschel hoort het de profeten zeggen. De waarheid breidt zich uit in de wereld, God is de geschiedenis binnengekomen en er is geen geschiedenis waar dit niet voor geldt. ‘Eenheid is de maatstaf’ schrijft hij in het laatste hoofdstuk van het eerste deel. Hoe herken je die waarheid, die aanwezigheid in de wereld. Eenheid, zegt hij, liefde die een uitdrukking van eenheid is, verbinding zeggen we vandaag vaak.

Zo krijgen de momenten van inzicht, de momenten van geraakt zijn, van zicht op de waarheid, structuur. In de verbinding tussen mensen, in de verbinding van mensen met de aarde en met zichzelf, in opheffing van verdeeldheid en splitsing. De genade is een vonk los van alles wat wij en de wereld aan te dragen hebben. Ons antwoord in geloof is de weerspiegeling van die vonk, van die liefde.

‘Een echt inzicht ontsluit het hart en geeft de mens de kracht boven zichzelf uit te stijgen.’


12 april 2023 – Bij het Bijbelleesrooster, Psalm 139:13-24

‘Ken je mij? Wie ken je dan?
Weet je mij beter dan ik?’

In ‘150 psalmen vrij’ van Huub Oosterhuis staan van Psalm 139 als enige psalm twee versies. De eerste volgt de tekst van de psalm vrij nauwkeurig, de tweede zoomt in op een enkel aspect van de psalm. Het gekend en gezien worden en wat dat betekent voor degene die zich gekend en gezien weet. Er is een ander die mij kent, daarbij kun je aan God denken, maar ook aan een ander mens, zelfs aan jezelf zullen we zien. Het gekend worden door een ander roept de vraag op: ‘Wie ken je dan?’ Wie ben ik?

‘Ik zou één woord willen spreken,
ooit, dat waar en van mij is,
dat draagt wie ik ben, dat het houdt,
en rechtop staat
als een mens die mij aankijkt
en zegt:
ik ben jouw zuiverste zelf,
vrees niet, versta mij, ik ben.’

Wie ben ik, wat is mijn diepste waarheid, mijn zuiverste zelf? Het is hier een vraag die opkomt in de relatie met de ander, in het gekend worden door de ander. Een vraag die zich omzet in een verlangen, maar in dat verlangen wordt al meteen duidelijk dat het antwoord, als het er is, alleen ligt in de relatie. Ook dat ene woord kijkt mij aan, spreekt tot mij. Zo wordt door Oosterhuis het relationele in deze psalm tot het uiterste opgevoerd. Gods kennen van mij is mijn wording en mijn bestaan. Ik denk weer aan het origineel.

‘Uw ogen zagen mijn vormeloos begin,
alles werd in uw boekrol opgetekend,
aan de dagen van mijn bestaan ontbrak er niet één.’

Dat heeft iets te maken met de scheppende kracht van het kennen, dat liefde is. In die relatie is elke dag een dag van waarheid, van waarde, van aanwezigheid. De vraag wie ik ben is een vraag om aan de ander te stellen, de ander die jou kent, die jou liefheeft. Niet eens omdat die ander het beter weet, maar omdat in de relatie de waarheid aan het licht komt. Zo komen we bij het slot van deze bewerking van de psalm.

‘Ken je mij? Wie ben ik dan?
Weet jij mij beter dan ik?’


10 april 2023 – Huub Oosterhuis

‘Gij hebt ons zelf ontvankelijk gemaakt.’

Gisteren overleed Huub Oosterhuis. Zeer schatplichtig ben ik hem. Zijn teksten, vooral zijn liederen vormden één van de aders in mijn predikant zijn. Ik denk aan Psalm 139, een psalm die regelmatig terugkomt in zijn liedteksten. Het prachtige tafelgebed ‘Gij die weet’ begint met een verwijzing naar die psalm.

‘Gij die weet wat in mensen omgaat aan hoop en twijfel,
domheid, drift, plezier, onzekerheid,
Gij die ons denken peilt en ieder woord naar waarheid schat,
en wat onzegbaar is onmiddellijk verstaat,
Gij toetst ons hart, en Gij zijt groter dan ons hart
op elk van ons houdt Gij uw oog gericht;’

Voor mij staat bovenaan het lied dat ik voor het eerst hoorde bij het afscheid van de mentor bij wie ik mijn vicariaat deed. De cantorij zong het en het raakte me in het hart. Het mooiste lied uit het oude liedboek, gezang 487, met dank aan Bernard Huijbers voor de schitterende melodie. Ik het het vele malen in kerkdiensten laten zingen.

‘De Heer heeft mij gezien en onverwacht
ben ik opnieuw geboren en getogen.
Hij heeft mijn licht ontstoken in de nacht,
gaf mij een levend hart en nieuwe ogen.’

Dit is Psalm 139 en tegelijk het evangelie in de radicaliteit van de apostel Paulus. Het licht in de nacht, ik als nieuwe schepping. En het begint met een gezien worden, niet als de vervulling van een symbiotisch verlangen, maar als het gegeven van het relationele bestaan. Vrucht van liefde ben ik, in het vervolg van het lied wordt ook het Hooglied geciteerd. En als theologische kers op de taart, om alle misverstand over onze vroomheid en goede wil uit te sluiten: ‘Gij hebt ons zelf ontvankelijk gemaakt’. Dat doet me rusten in de werkelijkheid van het gezien zijn, in het omringd zijn door het licht.

‘De Heer wil ons bewonen als zijn huis,
plant als een boom in ons zijn eigen leven,
wil met ons spelen, neemt ons tot zijn bruid
en wat wij zijn, Hij heeft het ons gegeven.’


9 april 2023, Pasen -- Opstaan

‘Ze staat al op als het nog donker is (Spreuken 31:15).’

Soms zet ik een glimlach in de kantlijn. Ook bij dit citaat van Heschel uit het loflied op de sterke vrouw aan het eind van het boek Spreuken. Mooi gevonden. Hij eindigt er zijn hoofdstuk ‘God zoekt de mens’ mee. Er is iets in ons dat daar de weerschijn van is en dat moeten we aanspreken, zo begrijp ik hem. Hij noemt dat ons innerlijk licht en dat moeten we ons bewust worden, en in dat licht, dat binnen in ons is, zullen wij licht zien.

Je kunt er een cirkelredenering in zien, waar je niet uitkomt, je kunt het ook zien als de omschrijving van de ervaring van de psalmist, ‘Door úw licht zien wij licht’. Het punt van Heschel aan het eind van dit hoofdstuk is dat we niet lijdzaam moeten wachten op inzichten, op een blijk van licht. Juist in het donker kunnen we ons bewust zijn van het licht dat in ons straalt en uit ons kan stralen. En dan presenteert hij de sterke vrouw uit Spreuken: ‘Ze staat al op als het nog donker is’.

Mooie woorden ook om op deze paasdag te lezen. De opstanding van Jezus gaat precies daarover: we wachten niet op betere tijden, ons overkomen of door ons zelf gemaakt, maar midden in de dood zijn we ons bewust van het leven, het licht, de zegen, de aanwezigheid van God. ‘Als het nog donker is.’ In het genoemde hoofdstuk zegt Heschel het volgende.

‘Zoals helderzienden de toekomst kunnen zien, zo gaat de religieuze mens het huidige ogenblik waarnemen. En zo volbrengt hij een daad van de hoogste orde. Want het onderhavige moment is de nabijheid van God. Dingen hebben een verleden en een toekomst, maar alleen God is zuivere aanwezigheid.’

Vandaag, pasen, opstanding, aanwezigheid.


7 april 2023, Goede Vrijdag -- Verlaten

‘Mijn God, mijn God, waarom hebt u mij verlaten?’

Vanmiddag ‘The crucifixion’ gehoord. Dit werk van John Stainer werd voor de 18e keer uitgevoerd in de Martinikerk in Groningen. Prachtige samenklanken van orgel, koor, bas en tenor. Ook de woorden van Jezus aan het kruis worden muzikaal verwoord en zo klonken ook de woorden hierboven. Misschien kwam het omdat ze in dit werk door het koor gezongen werden, maar voor mij kwam het accent ineens anders te liggen. Vaak hoor ik deze woorden als een vraag om verantwoording van Gods kant. Vanmiddag was het meer de verwoording van de situatie van Jezus die me trof.

In de mystiek wordt gesproken van de nacht van de ziel. Het is de ervaring dat je totaal verlaten bent. Je kunt ook zeggen: dat je geen enkel houvast hebt, geen grond onder de voeten en geen been om op te staan. Geen rugdekking, geen garanties, geen verzekering van je bestaan. In die leegte bevindt Jezus zich aan het kruis. Waar de roep een roep is, wanhoop wanhoop is, vraag vraag is los van het antwoord. Waar alles je uit handen geslagen wordt. Ook je vroomheid, ook je godsvertrouwen. En het is nergens goed voor.

Daar toont zich de genade.


5 april 2023 – Bij het Bijbelleesrooster, Matteüs 26:1-16

‘Zij heeft iets goeds voor Mij gedaan. Want de armen zijn altijd bij jullie, maar Ik zal niet altijd bij jullie zijn.’

Deze vrouw, die het hoofd van Jezus met kostbare olie zalft, zal herinnerd worden. Dat zegt Jezus, maar Matteüs noemt haar naam niet eens. Gelukkig wel wat ze deed en de reactie van Jezus daarop. Of beter gezegd: de reactie van Jezus op de reactie van de discipelen op deze daad. De discipelen vinden het verspilling en daar is Jezus het niet mee eens.

Jezus tegenover de armen, een vreemde afweging waar Jezus altijd de kant van de armen koos. Maar, maakt Jezus hier duidelijk, het Koninkrijk van God, het leven dat hij voorstaat en brengt, is iets anders dan een programma voor armoedebestrijding. ‘Zoek eerst het Koninkrijk’ en wie dat verspilling van geld en goed en energie vindt, zaken die beter aan de armen besteed kunnen worden, heeft het evangelie niet begrepen, maar is bezig zijn eigen koninkrijkje op te zetten.

Deze vrouw ziet en erkent Jezus, maakt hem letterlijk tot de Messias, de gezalfde. Dat betekent dat je de wereld, inclusief jezelf, inclusief de armen, ziet door zijn ogen. Dat betekent dat je jezelf ziet en de armen ziet, jij met alles wat je hebt, de ander in zijn of haar nood. En je ziet die ander als jezelf, en jezelf als die ander, levend van dezelfde genade. Dat is het eerste, dat is de kans die deze vrouw grijpt, en vanuit dit zien gaan we ontdekken wat we te doen hebben, niet voor de armen, maar met de armen.


4 april 2023 – Bij het Bijbelleesrooster, Psalm 120

‘Tot de Ene in mijn benauwdheid
riep ik,-
en hij gaf mij antwoord.’

Eergisteren overleed Kees Waaijman. Bekend als hoogleraar spiritualiteit in Nijmegen. Zijn reeks verklaringen van de psalmen staan in mijn kast, ze gaven me altijd inspiratie. Mooi is ook zijn boek ‘Mystiek in de psalmen’. Alle psalmen komen aan bod, dus ook de psalm van vandaag, de 120e. Waaijman wijst op het wonderlijke van het eerste vers. Ik citeer het hier uit de Naardense Bijbel, omdat daarin de cesuur waar hij op wijst goed zichtbaar is.

In de eerste zin staat de Ene naast de benauwdheid, het roepen en het antwoord staan ook dicht bij elkaar. Alsof de dichter wil zeggen: in het roepen klinkt het antwoord en dat antwoord gaat over de betrokkenheid van de Heer bij mijn benauwdheid. Dat is wat volgens Waaijman deze poëtische vorm doet. Roepen is meer dan niet roepen, is alles meer dan niet roepen, is antwoord, redding, waarde, besef van bestaan. En de Heer is er als de aanwezige, aanwezig in mijn benauwdheid, aanwezig als levens- en lichtbrenger.

Ik moet denken aan de vrouwen in Iran, aan de dissidenten in Rusland, aan de klokkenluiders in de grote mediaconcerns, aan de mensen die in Israël en waar dan ook de straat op gaan. En roepen in hun benauwdheid, en het is een roepen waarin een opstaan is, een opstaan tot nieuw leven. Daarover gaat de rest van de psalm en Kees Waaijman eindigt zijn reflectie op deze psalm zo.

‘De psalm bidden is: aandachtig luisteren naar het verhaal van een vreemdeling: die ‘gevaarlijke herinnering’ tot je toelaten van die man die te gast was in Mesjek, woonde bij de tenten van Kedar, van die tien miljoen gastarbeiders in West-Europa, van die bijna 2000 jaar jodenvervolging, van enkele eeuwen diskriminatie van kleurlingen, van onderdrukking van minderheden. Het is hùn verhaal – in òns midden?’


30 maart 2023 – Recht van de hoop

‘Maar er bestaat een 'recht van de wanhoop', aldus Yehoshua; zonder een land waren de Joden vogelvrij. Hij voegt daar echter aan toe: "Als dit inhoudt dat we een ander volk als geheel moeten verdrijven, dan verliest het uit wanhoop geboren recht elke geldigheid'.’

De afgelopen weken stond er regelmatig een deel van Numeri op het Bijbelleesrooster. De verhalen inspireerden me weinig tot schrijven. Deze week was het Numeri 21. Moeilijke passages over de verovering van het beloofde land door Israël. Nu is het zeer onwaarschijnlijk dat het historisch zo gegaan is, maar de verhalen over verdrijving en uitroeiing van andere volken staan nog steeds in de Bijbel.

Moeilijk te rijmen met het geloofsgoed van Jodendom en kerk, nog schrijnender zijn ze tegen de achtergrond van wat het Joodse volk zelf heeft meegemaakt en de genocides van onze eigen tijd. Ik dacht er opnieuw over na naar aanleiding van de column van Stevo Akkerman gisteren in Trouw. Hij gaat, als het over het bestaansrecht van de staat Israël gaat, graag te rade bij A.B. Yehoshua. Dat bestaansrecht ontlenen aan religie is voor hem geen optie, dat geldt alleen voor hen die bij deze religie behoren.

Hij noemt het ‘recht van de wanhoop’. Er moet toch een veilige plek zijn voor de Joden. Maar de Palestijnen zijn er ook en met het oog op hen klinken de woorden die ik hierboven citeer uit de column van Akkerman. Dat recht van de wanhoop zou je ook aan kunnen voeren in de woestijnsituatie in de verhalen van Numeri, maar de geldigheid heeft daar dezelfde grens. Al peinzend dacht ik: misschien moet je het het ‘recht van de hoop’ noemen. De hoop waarmee de afgelopen weken talloze mensen in Israël de straat opgingen in een poging iets te redden van de democratie daar. Zie bijvoorbeeld de beeldverslagen van Thomas Schlijper van de demonstraties op de snelweg langs de Ayalon in Tel Aviv. Met het recht van de hoop nemen zij de ruimte en de moed om hun regering tegen te spreken en terug te roepen van heilloze wegen.

En vanuit dat ‘recht van de hoop’ zou je ook Numeri kunnen herschrijven. Op weg naar een samenleving waar mensen met elkaar onder de goede zon leven, elkaar het leven gunnen en mogelijk ook elkaar kunnen zien als zegen.


26 maart 2023 – Bij het Bijbelleesrooster, Psalm 95

‘...laten wij buigen in aanbidding’

Mendelssohn begon zijn cantate bij deze psalm met het middendeel, ‘Kommt, lasst uns anbeten’. De toon van de psalm is een oproep, een uitnodiging. Een revolutionaire uitnodiging, een uitnodiging die haaks staat op de levenswijze van alle dag. Die tegenstelling wordt in de psalm ook onder woorden gebracht in de herinnering aan de woestijntijd van Israël.

Die levenswijze van alle dag kenmerkt zich door de voorrang die we onze angsten en behoeften geven. Halsstarrig weigeren we te zien wat ons aan ons vooraf gaat, dat we in het licht geroepen zijn, geboren in vrijheid, bestemd voor het antwoord. Maar we hebben honger en dorst en pijn en stress, en zo verlangt het volk terug naar Egypte, verlangen we naar de bevrediging van onze behoeften.

Daartegenover staat het omarmen van de rijkdom van het leven, de jubel om het licht dat ons tegemoetkomt, de verwondering om ons bestaan. Onze dagelijkse vragen worden niet ontkend, wel wordt onze neiging ontmaskerd daarin onder te duiken, ‘een stuurloos volk dat mijn wegen niet wil kennen’. De psalm wil breken met deze neiging die onze ondergang kan zijn.


23 maart 2023 – Bij het Bijbelleesrooster, Numeri 20:1-13

‘‘Luister, opstandig volk,’ zei Mozes, ‘zullen wij voor u uit deze rots water laten stromen?’’

Verondersteld wordt dat Mozes door zijn jarenlange woestijnervaring kon bepalen waar de rots water vast hield. Door een flinke klap kon dat water gaan stromen. Mooi is dat om een leider te hebben die dat kan, maar in onze oren is het wel wat manipulatief om dat te presenteren als het ingrijpen van de Heer. In dit verhaal laat de Heer voelen dat Mozes en zijn broer dan ook maar echt op hem moeten vertrouwen en niet op hun kunstje.

Een ander laag in het verhaal is volgens mij de tegenstelling tussen de moed opgeven en vertrouwen hebben in andere wegen. Het volk wil terug, wenst zelfs ook maar gestorven te zijn bij eerdere tegenslag, het vertrouwen op een nieuwe toekomst is volledig verdwenen. Daar tegenover staan Mozes en Aäron die de blik open houden en bereid zijn hun vaardigheden in te zetten.

Zo zijn zij de prototypes van hen die naar vrede zoeken in uitzichtloze oorlogen, aan een rechtvaardige samenleving werken waar anderen allang de moed hebben opgegeven, zich inzetten voor het klimaat terwijl de vervuilende gewoontes door etteren. Dat is in de Bijbel niet het verschil tussen slecht en goed gedrag, maar het is het verschil tussen je overgeven en mee laten voeren door de goden van deze wereld en in jezelf of je laten richten en vormen door de woorden van genade, vrijheid en vrede.


21 maart 2023 – Bij het Bijbelleesrooster, Romeinen 8:22-20

‘In deze hoop zijn we gered.’

We zijn gered. Geen slachtoffer meer van onze verslavingen en zelfoordelen. Niet meer gevangen in de angst voor de ander en de angst voor de dood. Kinderen van God zijn we, een leven in vrijheid. Dat is de waarheid van het evangelie, de waarheid van de ontmoeting met Jezus Christus.

We hopen daar niet op, we zijn ook niet gered door onze hoop. Hoop heeft snel iets van afschuiven naar de toekomst, van uitstel, van excuus voor het heden. Op die manier leidt hoop af, scheidt het ons van de dag van vandaag. Voor vandaag geldt: ‘We zijn gered’.

‘In de hoop’ zet Paulus daarbij. Vat het gered zijn niet op als iets wat je hebt. Neem de vrijheid, die zou je kunnen zien als een nieuwe eigenschap van jezelf, als een goed dat jouw eigendom is. Voor je het weet verandert die vrijheid in dwingelandij en dictatuur. Een laatste argument in het gesprek met de ander, mijn vrijheid. ‘In de hoop’, zegt Paulus. Dat geeft een context aan de vrijheid, een context van ontvangen, bevrijd en geleid worden, van steeds weer afstemmen op de roep van het licht, op de stem van het evangelie. Daarin is de nieuwe vrijheid gegrond en gegarandeerd, niet in ons gevecht daarom. ‘In de hoop’ is ‘in de wolk’, ‘in het licht’, ‘in het gedoopt zijn en worden’, ‘op de weg’.


19 maart 2023 – Bij het Bijbelleesrooster, Romeinen 8:1-11

‘Want als de Geest van Hem die Jezus uit de dood heeft opgewekt in u woont, zal Hij die Christus heeft opgewekt ook uw sterfelijk lichaam levend maken door zijn Geest, die in u woont.’

Het gaat niet om een schijnleven. Het leven door de Geest, het ‘in Christus Jezus zijn’, is ook niet een leven parallel aan ons aardse leven, waardoor ons leven tot nu toe een schijnleven is. Het is ons aardse leven vanuit een nieuw gezichtspunt. Dit hoor ik in deze moeilijke gedachtegang van Paulus over het leven door de Geest.

Het gaat Paulus niet om een veilige haven in een bedreigd leven in een bedreigde wereld. Een leven en een wereld vol oordeel, over onszelf en over elkaar. Levend onder machten groter en sterker dan we zelf zijn, die ons naar de verdoemenis helpen, met het woord van de Statenvertaling. Geen veilige haven temidden van het oordeel, maar einde aan het oordeel. Geen veroordeling, geen verdoemenis, geen doodvonnis.

En dat verandert alles. Zoals de opstanding het leven en sterven van Jezus tot gelding brengt, van kracht laat worden, zo wordt ons aardse, lichamelijke leven dat we al zo’n beetje afgeschreven hadden, dat we zelf al hadden veroordeeld, misschien wel naar de verdoemenis hadden gewenst, levend gemaakt. Lied 566: ‘Midden in de dood zijn wij in het leven.’


16 maart 2023 – Bij het Bijbelleesrooster, Psalm 5

‘… in de morgen wend ik mij tot U en wacht.’

Bij Ton Lemaire heb ik wel eens gelezen dat het zonde van het moment is om jezelf na het opstaan gelijk bloot te stellen aan alles wat de krant te melden heeft. Het nieuwe, frisse, onbekende van de nieuwe dag, je maakt het gelijk ongedaan met alle wereldnieuws. Dat doet de zanger van dit lied anders. ‘In de morgen, HEER, hoort U mijn stem, / in de morgen wend ik mij tot U en wacht.’

Zo kun je de dag ook beginnen. In ontvankelijkheid, met een open hart, in afstemming op het licht, op dat wat tot je komt, wat je maakt en bevrijdt. Wachten op het leven dat je ook deze dag weer ontvangt, wachten op de weg die zich vandaag weer voor je aftekent. In dit wachten kan de dag beginnen, waarop ook het kwaad zich weer groot zal maken. Maar je hebt weet van het voorbehoud, weet van de gestelde grens.

De dag beginnen met een moment van meditatie, een wandeling of een rondje door de tuin, een dankgebed voor de nieuwe morgen. Dit en nog veel meer past bij deze psalm, in het besef van een wachten. Een wachten in de wetenschap dat de dag dan pas begint als je geroepen wordt door het licht, aangeraakt wordt door de liefde. Dag Jan, zegt de vogel, de bloem, de stoel, het water uit de kraan, je bent er.


15 maart 2023 -- Vooronderstelling

‘Een ontologische vooronderstelling’

Zo heet het elfde hoofdstuk van ‘God zoekt de mens’ van Heschel. God is een ontologische vooronderstelling, dat is zijn stelling. Ontologie is de leer van het zijn, de leer die onderzoekt wat maakt dat iets is, bestaat. Heschel zegt dus dat je niet over het bestaan na kunt denken zonder God daarbij te betrekken.

In mijn ogen – ik probeer al dagen de reikwijdte van dit hoofdstuk te vatten – heeft hij het dan over de God van de Bijbel. Dan kan ik de geldigheid van zijn stelling meevoelen. Andere goden, afgoden, zelfgemaakte goden, godsbeelden, kun je ontkennen. De God van de Bijbel, de Heer, de Naam, kun je, zegt hij, niet eerlijk ontkennen, alleen ontlopen.

Een discussie voeren over het al of niet bestaan van God is dus onzinnig, ook het bestaan van God proberen te bewijzen is een ontkenning van de genoemde vooronderstelling. God komt niet voort uit onze kennis van onszelf of van de wereld. Alsof we hem eerst zouden bedenken en gaan beslissen of hij bestaat of niet. Je hebt het dan in ieder geval niet over de God van de Bijbel.

In het spoor van Heschel zou je ook ‘niet bestaan’ als een eigenschap van deze God kunnen zien. Ik denk aan de discussie rond Klaas Hendrikse, die een boek schreef met de titel ‘Geloven in een God die niet bestaat’. Wat bij hem overbleef was een oervertrouwen in ons, opgeroepen door de manifestatie van ‘God’.

Wat voor mij een beetje wringt in dit hoofdstuk is dat Heschel eerst deze vooronderstelling bespreekt zonder nog iets inhoudelijks te zeggen over de betekenis van God, dat komt in het volgende hoofdstuk. De kracht van Barth is dat hij dat andersom deed, maar het hoeft elkaar niet uit te sluiten, het is in ieder geval een prachtig hoofdstuk, ik geef nog een citaat.

‘Speculatie gaat niet aan geloof vooraf. Verwondering en lofprijzing gaan aan het geloof vooraf. Verering van God gaat vooraf aan de erkenning van zijn werkelijkheid. We prijzen voordat wij bewijzen. Wij antwoorden voordat wij vragen.’


7 maart 2023 – Bij het Bijbelleesrooster, Numeri 12

‘Rechtstreeks’

Ik wil niet altijd alleen over die bijbelgedeelten schrijven die me aanspreken en inspireren, maar anders zou ik dit verhaal overslaan. Het zal wel gaan over het gegeven dat er regelmatig aan het gezag van Mozes getornd werd, kijken of er ergens een draadje los zit. Twijfelachtig is het om dan de man in kwestie maar boven alle kritiek te verheffen. Twijfelachtig is ook de straf voor juist de vrouw in het verhaal, Mirjam, nota bene de zus aan wie het overleven van Mozes te danken is. Twijfelachtig is bovenal het argument ten gunste van Mozes: andere profeten krijgen hun woorden in dromen en beelden, Mozes krijgt ze rechtstreeks.

Twijfelachtig, omdat juist de godsontmoeting van Mozes in de woestijn, bij het ‘brandende braambos’, de basis vormt van het godsbeeld van de bijbel. Beter gezegd: het ontbreken daarvan, want Israël leert afstand te nemen van de goden die ons bekend zijn, waarvan we naam en toenaam weten. Openbaring is openbaring van de verborgenheid, en de keerzijde daarvan, zo leerde leermeester Hasselaar het ons, is de verborgenheid van de openbaring.

Dat sluit de deur voor een rechtstreeks gesprek met God. ‘Rechtstreeks’: misschien alleen als eschatologische waarheid om het besef levend te houden dat de verborgenheid van God niet een soort verstoppertje spelen is, maar samenhangt met het mysterie van het bestaan zelf. Mozes als eschatologische profeet, tot zover mijn gedachten bij dit verhaal.


6 maart 2023 – Bij het Bijbelleesrooster, Psalm 106:24-48

‘Hij dacht weer aan zijn verbond met hen’

In het tweede deel van deze psalm wordt het vergeten en de gevolgen daarvan nog meer omschreven. Het leven met elkaar in vrede en recht is ver te zoeken. Het is een adequate schets van de puinhoop die we er van gemaakt hebben.

In dit lied leidt dat besef niet tot boete en berouw en ook niet tot goede voornemens. Het lijkt er meer op dat deze dichter wil zeggen, dat de betere, nieuwe wereld er niet zal komen dankzij ons. Als we daarop inzetten zullen we opnieuw vastlopen in ons eigenbelang, onze hebzucht en ons vergeten van de bron van het leven.

Die bron ligt in het feit van ons bestaan zelf, dat we in leven geroepen zijn, dat we gewild zijn, geliefde mensen zijn. De omslag ligt daar wij daar weer aan denken, ons dat weer herinneren. Daar gaat het om in deze bede, ‘Red ons Heer, onze God’, laat ons in al ons vergeten weer zien wat echt onze positie is op deze aarde.

Geprezen zij de HEER, de God van Israël,
van eeuwigheid tot eeuwigheid.
Laat het hele volk antwoorden: ‘Amen!’
Halleluja!


5 maart 2023 – Bij het Bijbelleesrooster, Psalm 106:1-23

‘...maar snel vergaten zij wat Hij gedaan had...’

Het tegenovergestelde van heimwee is herinnering. Heimwee wil terug naar het verleden, herinnering haalt het verleden naar het heden. Vergeten gebeurt vaak onbewust, maar er is ook een bewust vergeten, dat is de weigering van de herinnering.

Karl Barth schrijft over de zonde als hoogmoed, de zonde als traagheid en de zonde als leugen. Met ‘vergeten’ kun je het allemaal samenvatten. Vergeten dat je afhankelijk was en bent van bevrijding, vergeten dat je leeft op weg naar het beloofde land en vergeten dat alle goden slechts illusies zijn, damp. ‘In de bijbel is ongevoeligheid de wortel van de zonde.’ Zo zegt Heschel het en citeert daarbij ook deze psalm, ‘zij sloegen geen acht op Gods wonderen, dachten niet aan de tekenen van zijn trouw’. Vergeten, vergeten, vergeten.

De psalmdichter herinnert het zich, wil het zich herinneren, maar ziet ook dat het vergeten zich herhaalt in zijn eigen generatie. Zijn remedie is niet om het nu eens beter te gaan doen, maar zet het eigen vergeten in het kader van Gods trouw. En daar doet hij een beroep op, ‘denk aan mij’, opdat ik herinnerd wordt aan de waarheid voor deze dag: uw bevrijding, uw trouw, uw aanwezigheid.


4 maart 2023 – Bij het Bijbelleesrooster, Numeri 11:24-35

‘Zodra de geest op hen rustte begonnen ze te profeteren.’

Een bijna lieflijk beeld. De geest die rust op de oudsten van Israël, waardoor zij gaan profeteren. Het doet denken aan andere beelden van de geest, zoals in Genesis van de geest die over de oervloed zweefde. In sommige vertalingen is het de geest die broedde boven de wateren.

Er is een heleboel geklaag en ontevredenheid onder het volk in de woestijn. Het beloofde land laat behoorlijk op zich wachten en de herinnering aan Egypte wordt steeds mooier. ‘Heimwee is verlangen dat terugzoekt, verlangen dat in zijn onvervuldheid nog niet echt is aanvaard.’ Een zin van Herman Andriessen in een boek over ouder worden. Deze heimwee, zegt hij, ontwortelt ons. Brengt onrust en onvrede, haalt ons weg bij deze dag.

In die woelingen is er het rusten van de geest op Mozes en de oudsten. Geen gewelddadig ingrijpen van de Heer, maar een aanraking die ons terugbrengt bij onze wortels, bij deze dag. Zalving, zegening, straling. En daar ga je anders van kijken, anders van denken, anders van praten. Profeteren, deze dag en de dag van morgen zien in het licht van het evangelie. Ik denk aan het lied dat we in de kerk vaak zongen als mensen een bepaalde taak in de gemeente kregen of als er kinderen gedoopt werden.

‘Dat ‘s Heeren zegen op u daal’,
zijn gunst uit Sion u bestraal’.’


1 maart 2023 -- Afzondering

‘De profeten bestreden wat men zou kunnen noemen het bedrog van de afzondering.’

Het Boeddhisme leert de leegte van alles. Bedoeld wordt dat er niets is dat in zichzelf vervuld is, niets dat zelfstandig bestaat. De manier waarop Heschel de woorden van Prediker citeert – ’lucht en leegt, alles is leegte’ – komt daar dicht bij. De afzondering waartegen de profeten zich verzetten betekent dat we de dingen en onszelf een zelfstandig bestaan toedichten. Zodat we ze vervolgens naar believen naar onze hand kunnen zetten en gebruiken.

Dat dat leidt tot misbruik maakt de huidige klimaatcrisis wel duidelijk. Een uitgeputte, overbelaste aarde. En soms klinkt dan de zucht: zagen we de aarde nog maar als heilig, als moeder aarde die we vereren. Maar ook dat is een vorm van afzondering in de ogen van de profeten. ‘Voor het jodendom is de verering van de natuur even ongerijmd als de vervreemding van de natuur onnodig is.’

De natuur, zo ook de aarde, verschijnt in de bijbel niet als het bezit en de speelbal van de mens, ook niet als een goddelijk element waaraan we onderhorig zijn. Het sleutelwoord is ook hier relatie, verwantschap. Niet tussen twee zelfstandige entiteiten, de mens en de natuur, maar er is een verwantschap van lofprijzing. Alles spreekt van de genade, de liefde, de macht van God, die aan alles vooraf gaat. ‘Hem te prijzen is zich te voegen bij alle dingen in hun loflied tot God.’

Mooi en revolutionair als we ons zo zouden verwonderen over het noorderlicht, over het samen opgaan van Venus en Jupiter, over de schatten in de aarde, over de vruchtbaarheid van de grond. ‘Kijk omhoog: wie heeft dit alles geschapen?’


26 februari – Bij het Bijbelleesrooster, Romeinen 5:12-21

‘Daarom, ...’

Met het oog op de huidige oorlog, de misdaad van Rusland jegens Oekraïne, wordt wel opgemerkt dat het Russische volk leeft in een traditie van lijden en ondergang en zich daarom niet snel verzet tegen de verschrikkingen. Zoals een vis niet vraagt om droogte en het organisme diep in de onderaardse grond niet vraagt om licht. Ze weten niet anders.

Hoe zou de mens weten van zonde, van verzet tegen wat hem tot zegen is, van roof van het eigen en andermans leven? De mens die vervreemd is van zijn wortels, die niet anders kent dan de kaders en de grenzen waarin hij is opgegroeid. De inzichten van Paulus over die mens zijn dan ook geen analyses van binnenuit, maar hebben maar één bron, het licht van Jezus Christus.

Zo interpreteert Karl Barth in zijn ‘De brief aan de Romeinen’ dit ‘daarom’. De reden van het zien van het onder water zijn, van het duister, van een leven in lijden en ondergang, is de aankondiging en de komst en de ervaring van de nieuwe wereld. Niet gelijkwaardig aan de oude, maar als de opheffing daarvan. Op de drempel van de nieuwe wereld, in het licht van de genade, zien we de onmogelijkheid, het niet bestaan, van de oude wereld, die we tot dan voor de enige hielden.


25 februari 2023 -- Mysterie

‘Het mysterie is niet opgelost’

Als één van de categorieën zoals de bijbel de wereld ziet, noemt Heschel het mysterie. Het gaat er dan niet om dat er in het bestaan een mysterie verborgen zit, dat al of niet, door elk denkend wezen of een club van ingewijden, opgelost kan worden. Het bestaan zelf is een mysterie, ‘het opzienbarende feit dat er feiten zijn: het zijn, het heelal, het ontvouwen van de tijd.’ ‘De wereld is iets wat wij zien maar niet kunnen doorzien.’

Het willen begrijpen van het mysterie is een doodlopende weg, of je dat nu doet door middel van occultisme of als een moderne positivist, die denkt dat alle geheimen vroeg of laat wel opgelost zullen worden. Maar de bijbel doet ook niet aan de vergoddelijking van het mysterie, als een noodlot dat boven mensen en goden staat.

De weg van de bijbel is de genade die aan gene zijn van het mysterie klinkt. ‘God is een mysterie, maar het mysterie is niet God.’ In het verhaal van de bijbel gaat het niet om een geheim dat onthuld wordt, maar om een weg die zich aftekent in de ontmoeting met de Ene, zelf verborgen, maar het is een weg van recht en vrede. Het mysterie is onlosmakelijk verbonden met het bestaan en wordt niet opgelost, maar het wordt niet de basis of de inhoud van je geloof. Niet het lot, maar de Heer is koning. Zo citeert Heschel Psalm 97.

‘De Heer is koning – laat de aarde juichen,
laat vreugde heersen van kust tot kust.
In wolk en duisternis is hij gehuld,
zijn troon stoelt op recht en gerechtigheid.’


22 februari 2023 – Bij het Bijbelleesrooster, Matteüs 6:1-8

‘… doe dan niet als de huichelaars...’

De huichelaars hebben hun loon al ontvangen. In het aanzien dat ze ontvangen door hun zichtbare rechtschapenheid. Ze zijn daardoor wel afhankelijk van het oordeel van anderen en het is op niets gebaseerd. Blijf daar ver van, zegt Jezus hier.

Het gaat hier niet over de eventuele plicht om te geven, te bidden en te vasten. Maar àls je het doet, doe het dan in het verborgene. En passant geeft Jezus het ‘Onze Vader’, een heel sober gebed dat de aandacht afleidt van alles wat wij inbrengen. ‘Uw Koninkrijk kome’, het leven dat verschijnt is een leven los van schuld en boosheid. Een puur leven zou je kunnen zeggen, een leven dat het niet moet hebben van uiterlijk vertoon, van toegevoegde waarde.

Dat is het loon waarover Jezus spreekt, denk ik. Een leven in waarachtigheid, leven zoals het is, met de lichte en de donkere kanten, de vreugde en het verdriet, de opgang en de ondergang. Dat leven kunnen leven, dat leven durven leven, in al zijn kaalheid en rijkdom, dat is het loon van de genade, het Koninkrijk, Gods wil, leven in de Naam van God.


19 februari 2023 – Bij het Bijbelleesrooster, 1 Korintiërs 3:9b-23

‘… álles is van u’

‘Wij zijn er niet om de wereld, noch zijn we van de wereld, noch zijn we voor de wereld, maar de wereld (aarde, lucht, water, de hele geschapen werkelijkheid) is er om òns, is van òns, en voor òns.’ Zo zegt het F.J. Pop het in zijn commentaar op eerste brief aan de Korintiërs. Wij zouden het wat bescheidener zeggen, in onze tijd van misbruik en uitputting van de aarde klinkt het zo niet goed.

Wat hij bedoelt, in navolging van Paulus, is dat we ons niet moeten binden aan wat dan ook. Door achter iets of iemand aan te lopen, van iets of iemand te zijn, verlies je je vrijheid en je eigenheid. Daarom: ‘alles is van u’. Alles en iedereen die we ontmoeten: een kans om onze vrijheid en eigenheid te leven. Lever je niet uit aan welk isme dan ook, vroeg of laat werken ze verstikkend.

Paulus bedoelt geen ongebreideld gebruik, dat leidt tot misbruik en uitbuiting. ‘U bent van Christus en Christus is van God’. Zoals altijd bij Paulus gaat het ook hier over relatie en over het gaan van de weg van Jezus. In die relatie is ‘alles van ons’, is alles een teken en herinnering aan de vrijheid en de eigenheid die we in die relatie ontvangen.


16 februari 2023 – Bij het Bijbelleesrooster, Spreuken 22:17-29

‘… opdat je op de HEER vertrouwt.’

Soms lees ik de spreuken uit het boek Spreuken met een schouderophalen, ‘ligt wel erg voor de hand’, denk ik dan, of ‘wel een beetje burgerlijk’. Soms klinken ze humoristisch, zoals vandaag: ‘Steel niet van een arme, hij is al arm genoeg’. Als dat niet cynisch bedoeld is, is het toch een spreuk met een glimlach, denkend aan de rijke. Het meest spreken die spreuken me aan, die me leiden naar het verhaal van Jezus, zoals die van gisteren.

Verrassend is daarom deze uitspraak, die hier klinkt als een soort leeswijzer. Het gaat er niet om dat je al die wijsheden onverkort toepast, maar dat ze je doen vertrouwen op de Heer. Wat ik deed met de spreuk van gisteren wordt hier met zoveel woorden aanbevolen. Laat de spreuk je helpen je leven te zien in het licht van de komst, de woorden en de daden van Jezus.

Vertrouwen op de Heer betekent in de Bijbel niet dat je je leven overlaat aan een boven- of buitenaardse macht, die alles voor je beslist. Vertrouwen op de Heer betekent je leven leiden als een geschonken leven, de wereld zien als geschonken in goedheid. En dat beïnvloedt elke gedachte, elke daad, elke beslissing. Op het niveau van jouw leven, op jouw plaats, in jouw omstandigheden. Daarover gaat het boek Spreuken.


15 februari 2023 – Bij het Bijbelleesrooster, Spreuken 22:9-16

‘De HEER waakt over wie kennis bezitten,
Hij logenstraft de woorden van bedriegers.’

Temidden van list en bedrog, een wereld vol nepnieuws, is dit een hoopvolle spreuk. Kennis, dat wat te weten is, wetenschap, de overeenstemming tussen woord en feit, idee en werkelijkheid. Wat zou dat beteken, dat de Heer daarover waakt? Ik lees de Naardense Bijbel.

‘De ogen van de Ene behoeden het kennen,- 
maar de woorden van een verrader 
ploegt hij onder.’

Het kennen, een wonder op zich. ‘Het meest onbegrijpelijke feit is het feit dat we begrijpen kunnen’, schrijft Heschel. Het is ook een heel kwetsbaar proces, dat weten we eens te meer door het vele bederf op de sociale media. Maar het wordt behoed door ‘de ogen van de Ene’.

Ik denk daarbij aan Jezus, aan zijn weg, hoe hij keek en leerde kijken naar de ander en naar de wereld. Met ontferming, dat zijn de ogen die de waarheid, de te kennen waarheid, behoeden door die aan het licht te brengen. Het antwoord op het genoemde bederf, op het bedrog van complottheorieën, op alle valse propaganda, is niet een waarheidspolitie, maar een blik van bewogenheid. Alleen in een proces van betrokkenheid op elkaar en op de wereld zal de waarheid boven komen en zal de leugen ondergeploegd worden.


13 februari 2023 – Bij het Bijbelleesrooster, Matteüs 5:33-48

‘Wees dus volmaakt’

Ethiek, akkoord, maar dan wel de ethiek van het Koninkrijk van God. In de bergrede schetst Jezus de contouren van dat Koninkrijk, van een wereld waarin de liefde en de vrede en het recht van God geleefd wordt.

Ik verbaas me vaak -en soms maakt het me ook boos- hoeveel er in de kerk gemoraliseerd wordt. Alsof het er in het evangelie vooral om gaat dat we zo goed mogelijk ons best doen voor een betere wereld. Moralisme, de gedachte dat onze goede daden bepalend zijn voor de nieuwe hemel en de nieuwe aarde, noem ik de ontkenning van het evangelie, de ontkenning van het door Jezus verkondigde Koninkrijk.

‘Wees dus volmaakt’ kan niets anders betekenen dan: wees de mens die van je gemaakt is door de scheppende kracht van de woorden van het evangelie, door de levengevende ontmoeting met Jezus. En je zult zien dat het Koninkrijk gekomen is.


12 februari 2023 – Het verhevene

‘Het verhevene is er niet zomaar. Het is geen ding of een eigenschap, maar eerder een gebeurtenis, een daad van God, een wonder.’

Heschel noemt het verhevene als één van de vormen van de bijbelse blik op de wereld. De grootsheid van de natuur, daar waar we ervaren: ‘Dit is groter dan ik.’ Dat wat ons voorstellingsvermogen te boven gaat. En het is niet alleen de sterrenhemel of de Mont Blanc, ook het kleine kan op die manier voor ons het verhevene zijn. ‘Het is te bespeuren in elke zandkorrel, in elke waterdruppel.’

Omdat het verhevene ons in allerlei opzichten overtreft, is het ook nooit volledig te vatten en onder woorden te brengen. Niet door kunstenaars, niet door wetenschappers, niet door filosofen. Wel is het gevoel voor het verhevene, het contact ermee, de wortel voor hun activiteiten. De ontmoeting met het verhevene leidt tot onze creativiteit.

In de Bijbel wordt de grootsheid van de natuur, maar ook van de geschiedenis, verbonden met de daden van God. Daarom leidt het daar niet in de eerste plaats tot creativiteit, maar tot verwondering, lof, dankbaarheid en aanbidding. Het is op zich niet belangrijk, maar het is een gebeurtenis waarin we betrokken worden en het krijgt zijn kleur en betekenis in ons antwoord.


4 februari 2023 – Bij het Bijbelleesrooster, 1 Korintiërs 1:18-31

‘Zo kan geen mens zich tegenover God op iets beroemen.’

Het is een echo op de woorden van de profeet Jeremia (9:22-23). Je kunt wel prat gaan op je wijsheid, je kracht of je rijkdom, maar dan heb je toch niet goed door waar je het leven aan te danken hebt. We leven van de geschonken liefde, rechtvaardigheid en recht.

Paulus projecteert de gedachte op het kruis van Christus. Niet om dat kruis te verheerlijken, het onderliggen en het lijden. Het gaat hem ook om de kracht, om de rechtvaardigheid, de heiligheid en de verlossing. Maar dat niet alleen voor hen die iets in te brengen hebben aan wijsheid, macht en afkomst. Het verhaal van Jezus is een inclusief verhaal, omdat het geen eisen stelt over wat je voorstelt. Het gaat altijd over een leven van genade. Hoor Jeremia.

‘Dit zegt de HEER:
De wijze moet zich niet beroemen op zijn wijsheid,
de sterke niet op zijn kracht,
de rijke niet op zijn rijkdom.
Wil iemand zich op iets beroemen,
laat hij zich erop beroemen dat hij mij kent
en inziet dat ik, de HEER, dit land liefde schenk,
rechtvaardigheid en recht.’


31 januari 2023 – Vriendelijke mensen

‘Laat iedereen u kennen als vriendelijke mensen.’

Absoluut geen oproep om vriendelijk te zijn, Paulus werd en wordt al te vaak moralistisch gelezen, binnen en buiten de kerk. Daarom leg ik, misschien een beetje overdreven, de nadruk op het eerste deel van deze uitspraak van hem in zijn brief aan de Filippenzen. Laat iedereen u kennen als de mens die u bent. Vriendelijk, een vriendelijkheid, die opgeroepen wordt in de ontmoeting met Jezus. Zijn evangelie bevrijdt ons van de dwang en de drang onszelf te bewijzen, om boven de ander uit te komen, om onszelf te perfectioneren. En dan word je als vanzelf guller, zachter, opener, vriendelijker. Dan komt er ruimte voor de ander en voor de diepte en de stroming van je hart. Voor en na deze zin uitspraken over vreugde en zorgeloosheid, niet toevallig. Woorden die vaak vreemd klinken in onze wereld, bij Paulus spreken ze over de nieuwe wereld, de wereld van de weg van Jezus. Afgelopen zondag heb ik ze gelezen in een dienst in de Koepelkerk in Smilde.


27 januari 2023 – Bij het Bijbelleesrooster, 1 Korintiërs 1:1-9

‘God is getrouw, door Wie gij geroepen zijt tot de gemeenschap van Zijn Zoon Jezus Christus, onze Heere.’

Het citaat is deze keer uit de Statenvertaling. Omdat daar het Griekse koinoonia nog herkenbaar is, gemeenschap. Misschien is de NBG-vertaling nog beter, ‘God is getrouw, door wie gij zijt geroepen tot gemeenschap met zijn Zoon Jezus Christus, onze Here.’ ‘Gemeenschap met’ sluit het misverstand uit dat het hier om de gemeente, de kerk, zou gaan. Als Paulus het woord koinoonia gebruikt gaat het altijd over de relatie met Jezus en niet over die van mensen met elkaar.

Hoewel ‘gemeenschap met’ dus beter is vind ik ‘gemeenschap van’ toch mooier. Het legt het zwaartepunt van de relatie net iets meer aan de kant van Jezus. Bijna alsof deze gemeenschap een eigenschap van Jezus is, nog los van onze relatie met hem. Jezus zelf is een en al contact, ontmoeting, nabijheid. Dat gaat aan onze klik met hem vooraf.

Koinoonia als eigenschap van Jezus, die tot ons komt als een roep, die op ons afstraalt als het licht van de zon, die ons hart verwarmt en onze geest wakker maakt. Zo worden we in de ontmoeting met hem zelf mensen van gemeenschap, worden we uit onze individualistische cel gehaald. Als zodanig kunnen we dan ook een gemeenschap, een gemeente, een kerk, met elkaar vormen, maar dat is het volgende hoofdstuk van Paulus.


25 januari 2023 – Uiterste vragen

‘Godsdienst is een antwoord op de uiterste vragen van de mens.’

Op de eerste bladzijde van ‘God zoekt de mens’ van Abraham Joshua Heschel staat deze zin geaccentueerd. Het is ook nogal een uitspraak. Een antwoord, de uiterste vragen. Zijn dat laatste vragen, grootste vragen? Ik denk dat het vooral verborgen vragen zijn, vragen die vaak onbewust blijven. Vragen die we ons in ons gewone dagelijkse leven niet kunnen veroorloven, omdat ze ons te onrustig maken. Vragen die we dan maar verdringen.

‘Ben ik vrij?’, ‘wie ben ik?’, ‘wat is de waarde en de verdienste van mijn leven?’, ‘wat betekent de dood voor mij?’. Ik noem er maar een paar en het lijkt mij dat deze vragen pas echt gesteld kunnen worden in een vrije, veilige omgeving. En precies daarvoor hebben we – ik gebruik maar even het woord uit het citaat – godsdienst nodig. In mijn woorden: in de ontmoeting met de vrijheid van Jezus gaan we onze onvrijheid zien en ervaren, in de ontmoeting met de rijkdom van het evangelie worden we ons bewust van onze armoede.

Als we de uiterste vragen vergeten, verliest godsdienst zijn belang, schrijft Heschel. Maar je kunt het dus ook omdraaien, als we godsdienst verliezen, verliezen we ook het zicht op de uiterste vragen, dan gaan die noodgedwongen ondergronds. Het is een moedige keus van Heschel om vanuit dit verband na te denken over godsdienst en zich daarbij niet bij voorbaat te zien als een slachtoffer van het moderne denken. Vanaf het begin worden we zelf betrokken bij dit nadenken, deze godsdienstfilosofie. Ik lees het boek opnieuw en zal er de komende weken wat meer over proberen te zeggen.


23 januari 2023 – Bij het Bijbelleesrooster, Matteüs 4:18-25

‘Kom, volg mij’

Volgen is gehoorzamen en gehoorzamen is gehoor geven aan de roep. De eerste discipelen zijn geen fans, geen volgers, geen vrienden, die achter hun favoriet aangaan. Het initiatief ligt bij Jezus, ‘Kom, volg mij’. Jezus zoekt volgelingen, Jezus maakt volgelingen.

Het evangelie werkt aanstekelijk en dat is er geen bijverschijnsel van. Het is uitdrukkelijk de bedoeling dat mensen en harten er door ontstoken worden, dat mensen mee gaan doen, gaan volgen. En ook dat volgen is niet in zichzelf opgesloten, geen einddoel. Anderen worden aangesproken en voegen zich in de gemeenschap van het licht en de vrede en het recht.

Het is moeilijk om de link met de vaak kwijnende kerk van vandaag te zien, maar het is de enige manier die aan het evangelie eigen is. Niet denken dat het om de verspreiding van het evangelie gaat, zoveel mogelijk mensen overtuigen van de waarheid daarvan, maar dat het om het heil van alle mensen gaat, dat ze als vissen gevangen worden uit het water van de ondergang.


21 januari 2023 – Bij het Bijbelleesrooster, Psalm 63

‘Een psalm van David, toen hij in de woestijn van Juda was.’

‘Er zou ook boven kunnen staan: “Toen Bonhoeffer verbleef in het concentratiekamp van de nazi’s – juni 1944”.’ Een suggestie van Kees Waaijman. Ik vul aan. ‘Toen de anonieme Afrikaan in een bootje op de Middellandse Zee zat’, ‘Toen de Oekraïense soldaat in zijn schuilplaats zonder munitie wachtte op hulp’, of ‘Toen ik de dood voor ogen zag’. Diepste leegte, grootste gemis. En daarin het smachten, de hunkering, het gloeiende verlangen. Naar God. Dat is verlangen naar het leven, naar gezien en gekend worden, naar zo bewaard te worden. Verlangen om te leven in de mensengemeenschap.

De dichter herinnert zich hoe dat verlangen wakker geroepen werd in de tempel, tijdens de eredienst. Terzijde van het leven, in een gezochte, vormgegeven setting. Een kerkdienst, je meditatiekussen. Het komt je misschien ooit te pas, ‘in de woestijn’, zei onze moeder altijd, als we vroegen waarom we al die psalmversjes uit ons hoofd moesten leren. De regels poppen nog steeds op, ‘O God, Gij zijt mijn toeverlaat; / Mijn God, U zoek ik met verlangen’.

Het bijzondere van deze psalm is de innerlijkheid. Het ingestampte versje is een persoonlijk woord geworden, eigen aan het hart, de verwoording van een diep verlangen. Een verlangen dat groter is dan de omstandigheden, dat leven doet en leven is in de verlatenheid van de woestijn en in de bedreiging van het kwetsbare leven. Bonhoeffer besluit een tekst waarin hij het teniet doen van zijn leven verwoordt met de woorden: ‘Wie ik ook ben, Gij kent mij, U hoor ik toe, o God’.


16 januari 2023 – Bij het Bijbelleesrooster, Jesaja 41:21-29

‘Kijk, daar zijn ze!’

We lezen woorden van de Tweede Jesaja. In zijn tijd werd Israël gedomineerd door Babel, een groot deel van de bevolking in en rond Jeruzalem was zelfs weggevoerd naar dat land. En dan ziet deze profeet een andere wereldmacht opkomen, het Perzische rijk onder koning Cyrus. Hij ziet deze koning als een instrument van de Heer, waardoor de geschiedenis een wending ten goede zal nemen.

Deze profetie ‘is profetie die getemperd wordt door menselijke tranen en vermengd met een vreugde die alle wonden heelt, want ze maakt het mogelijk de toekomst te verstaan in weerwil van het heden.’ Zo zegt Heschel het in zijn boek over de profeten van Israël en vat het daarmee prachtig samen. Het gaat niet om de verheerlijking van weer een nieuwe ster aan de hemel, maar om het zicht op een nieuwe toekomst. Los van de goden en machten die het heden beheersen.

‘Kijk, daar zijn ze!’ Het zal duiden op de mannen van Cyrus die Babel de les lezen en terugdringen. Maar het gaat om de open blik waarmee ze gezien kunnen worden. Ondanks de geweldige machten waar het volk onder lijdt, de vervreemding van de eigen wortels, de dreiging van totale ondergang. Het zijn maar goden die met een paar spijkers overeind gehouden moeten worden, zegt deze profeet. Wie dat beseft, kan verder kijken, ‘kijk!’. Heschel vervolgt: ‘Nooit zijn er troostrijker woorden gesproken in een wereld die huilt van ellende.’


13 januari 2023 – Bij het Bijbelleesrooster, Spreuken 16:23-33

‘De ouderdom is een prachtige kroon
die je verwerft door rechtvaardig te leven.’

Een bucket list is een merkwaardig fenomeen. Een lijst met dingen die je nog wilt doen voordat je leven voorbij is. Het zou nog kunnen functioneren als een focus op wat je echt belangrijk vindt. Maar als ik zie dat het steeds over dingen gaat als bungeejumpen, parachute springen en diepzee duiken zijn mijn vraagtekens weer helemaal terug.

Nu ik zelf behoor bij de ouderen ga ik de trekkracht van die lijstjes wel voelen. Dit boek nog lezen, die hobby nog beoefenen, die doe-het-zelf vaardigheid nog verwerven. Alsof mijn leven zonder die dingen niet compleet zou zijn. Terwijl je weet dat je achter een illusie aanholt en daardoor de dag van vandaag, waarop je weer niet gedaan hebt wat op je lijstje staat, veronachtzaamt.

Rechtvaardig leven betekent dat je recht doet. Recht doet aan je naaste, recht doet aan je omgeving, recht doet aan jezelf. In de Bijbel komt dat voort uit het besef dat je leeft in een geschonken werkelijkheid en niet in een werkelijkheid die je je moet veroveren. Leven als genadekind en niet als de grabbelaar die uit de zak van Sinterklaas zoveel mogelijk moet zien te halen. Dan kun je oud worden in dankbaarheid, als een prachtige kroon op je leven.


10 januari 2023 – Bij het Bijbelleesrooster, Psalm 20

‘Moge de HEER u antwoorden in dagen van nood’

God kan van alles zijn. Onze prestatie, onze kennis, onze macht, de paarden en wagens in deze psalm. Maar ook de natuur of het lot. Daar je vertrouwen op vestigen leidt vroeg of laat tot je ondergang, dat is de boodschap van het Oude Testament. De Heer houdt je staande.

In de Statenvertaling staat HEERE, met hoofdletters geschreven. Jammer dat die aanduiding verdwenen is. Bij Heere dachten we nooit aan een heer als een landheer, als een deftige man, als een baas. Heere riep een wereld op van het onbeschrijflijke, het onbegrijpelijke, het mysterie, maar ook van de stille fluistering, het tedere. ‘Heere, Heere’ zuchtte mijn opa in zijn ouderdom.

Heere, de God van Israël. Die toevoeging kan al verwarrend zijn, kan er een soort competitie tussen de goden van maken. Heere is gedragen worden, gekend worden, gezien worden, geliefd zijn, opgericht worden, beantwoord worden in de dagen van je nood.


9 januari 2023 – Bij het Bijbelleesrooster, Matteüs 3:13-4:11

‘Dit is mijn geliefde Zoon, in Hem vind Ik vreugde.’

In de opdracht van Jezus om ons te laten dopen hoor ik de uitnodiging om hier naast hem te komen staan. In het water van de Jordaan, het doodswater waarin de dopeling ondergaat. Het water dat symbool staat voor de slangenkuil die deze wereld soms is, het tranendal, de puinhoop die we er van gemaakt hebben.

En daar, met de voeten in de modder van het bestaan, van je eigen bestaan, klinkt de stem uit de hemel, ‘Dit is mijn geliefde Zoon, in Hem vind Ik vreugde.’ Van Henri Nouwen hebben we geleerd die woorden op onszelf toe te passen. Hij werd niet moe steeds weer te zeggen dat wij geliefde mensen zijn.

Het is snel gezegd en geschreven, maar de reikwijdte daarvan is nauwelijks te bevatten. Liefde maakt je zacht, laat je wantrouwen, dat je in je leven hebt opgebouwd, smelten. Liefde opent je ogen voor jezelf en de ander, zodat je een schakel wordt in het verhaal van God en de mensen. En die liefde aan jou, daar spreekt de hemel van, en de bomen, en de zee, en je medemens.


6 januari 2023 – Bij het Bijbelleesrooster, Matteüs 2:1-12

‘Toen ze de ster zagen, werden ze vervuld van diepe vreugde.’

Gisteren was het de wolk, vandaag is het de ster, die mensen in beweging zet. Het is deze ster die we massaal in het raam hangen met kerst of op een paal monteren of als koekjesvorm gebruiken. De ster die spreekt van de geboren koning van de Joden. Aanvankelijk, later in het verhaal is het ook de wegwijzer naar die koning.

De diepe vreugde komt als de ster stil houdt. ‘Jullie zijn er, hier is het einde van jullie zoektocht.’ En nog zonder dat die mensen van ver weten wat ze te wachten staat in dat huis onder de ster is daar die diepe vreugde in hun hart.

Het doet me denken aan het eureka moment van de wetenschapper. ‘Ik heb het gevonden’, het moment van inzicht, van zicht dat je overvalt, dat zich aandient. Het antwoord, misschien alleen nog maar het besef dat er een antwoord is. Los van je zoeken, je inspanning, je volharding, hier is het en jij ziet het. Dat vervult met diepe vreugde. Daarna gaat het leven weer verder, getekend door dit moment van eeuwigheidswaarde.


5 januari 2023 – Bij het Bijbelleesrooster, Numeri 9:15-23

‘Op bevel van de HEER trokken de Israëlieten verder, en op bevel van de HEER sloegen ze hun kamp op.’

Het verband wordt in dit bijbelgedeelte niet direct gelegd, maar op de een of andere manier hebben wolk en vuur te maken met de aanwijzingen van de Heer. De Heer wordt blijkbaar herkend in die wolk overdag, dat lichtende vuur in de nacht. Openbaring en verborgenheid, als keerzijden van elkaar, daar gaat het zeker over in deze tekst.

Meer bijzonder vind ik, in onze tijd van vluchtigheid, verandering en voortdurende vernieuwing, dat het hier ook gaat over gaan of blijven. En dat zowel gaan als blijven met het volgen van de aanwijzingen van de Heer te maken hebben. Stilstand is hier zeker geen achteruitgang. Ledigheid is hier niet het oorkussen van de duivel. Tot een jaar toe is het volk wel bewegingsloos. Zoveel haast heeft dat beloofde land blijkbaar niet.

Blijven en gaan, rust en werk, bezinning en actie, afwachten en aanpakken, het heeft allemaal zijn plaats onder de wolk. Onder het symbool van de aanwijzing, de aanspraak, het gezien en gekend worden, het symbool van de ontmoeting.


1 januari 2023 – Bij het Bijbelleesrooster, Numeri 6:22-27

‘Moge de HEER u zegenen en u beschermen,
moge de HEER het licht van zijn gelaat over u doen schijnen en u genadig zijn,
moge de HEER u zijn gelaat toewenden en u vrede geven.’

Deze prachtige zegen maakt ons deelgenoot. Het is een zegen vol relatie. Het gelaat van de Heer licht op, oudere vertalingen zeggen aangezicht. Allebei geen alledaagse woorden, niet erg, want het gaat niet om iets alledaags. Maar denk eens ‘gezicht’, het gezicht van de Heer. Je wilt het gezicht van de ander zien om de ander te leren kennen en tegelijk is dat wederzijds.

Bij ‘het gezicht van de Heer’ denk ik direct aan Jezus. Niet omdat hij laat zien wie God is, maar omdat hij licht, genade, vrede nabij brengt. In mij oproept. Mij deelgenoot maakt, de vreugde en de vrede in mijn hart wakker maakt. Levinas haalde het nog dichterbij door het menselijk gelaat, de verschijning van de Ander, te noemen als bron van licht en kennis, ook kennis van mezelf.

Deze zegen is geen geschenk waarmee je maar moet zien wat je er mee doet. Deze zegen wenst ons toe dat we het licht, de genade, de vrede gaan herkennen in de wereld om ons heen. Zo komt het licht in het duister, zo komt de vreugde en de vrede in ons hart en in ons bestaan. Er gebeurt iets met je. Nog een keer in de woorden van de Statenvertaling.

‘De Heere zegene u, en behoede u!
De Heere doe Zijn aangezicht over u lichten, en zij u genadig!
De Heere verheffe Zijn aangezicht over u, en geve u vrede!’


29 december 2022 – Bij het Bijbelleesrooster, Romeinen 3:21-31

,… iedereen wordt uit genade rechtvaardig verklaard ...’

Gisteren was het niemand, vandaag is het iedereen. Het is dezelfde alomvattende gedachte van Paulus. Het leven is niet wat je presteert, wat je voortbrengt, wat je zelf maakt, maar het gaat aan jou vooraf, je wordt voortgebracht, je leeft van het geschenk, van wat je ingeblazen wordt. Noem het God, zie het in de blik van de ander, ervaar het in de kunst, maar nooit is het iets waar je je op voor kunt laten staan.

Zo is er geen onderscheid tussen mensen. Het aanbod is er voor allen, voor allen is dit de grond van leven. Dirk de Wachter wil, als psychiater, zijn patiënten niet zijn als zielige mislukkingen. Genade buigt zich ook niet voorover, ‘ach guttegut, wat erg’, maar zet een mens rechtop in zijn eigen leven.

De ‘wet’ geeft daar de contouren van aan, de ‘wet’ is inclusief onze pogingen er wat van te maken, in de ‘wet’ klinkt ook de geschiedenis mee. En dat alles wordt niet terzijde geschoven, het leven in geloof is geen bestaan naast het wereldse bestaan. De ‘Bijbel in Gewone Taal’ vertaalt: ik zeg juist dat je je pas echt aan de wet houdt als je gelooft. Door het leven in geloof komt ons dagelijks leven juist in beeld en tot betekenis.


28 december 2022 – Bij het Bijbelleesrooster, Romeinen 3:9-20

‘Er is geen mens rechtvaardig, zelfs niet één.’

Paulus zet de zaken graag op scherp. ‘De meeste mensen deugen’, waarschijnlijk is het ook zijn ervaring, maar het weerhoudt hem niet van uitspraken als deze. Hij weet ook dat niets menselijks ons vreemd is. Menselijk is dat we allemaal hebben moeten overleven met alle schade en schande vandien. Mens worden gaat met schade gepaard al zullen er ook zeker aardige momenten uit voortkomen.

Het gaat hem niet om overleven, maar om het leven zelf. Noem het het ware leven, het nieuwe leven, het eeuwige leven, je innerlijke leven. Dat is wat hij rechtvaardig noemt en dat komt niet voort uit het gevecht van overleven. Dat is ook geen eigenschap die je kunt leren uit boeken of van wijzen. Rechtvaardig heeft te maken met relatie, het is het Godsbewustzijn van Jezus. Het is leven van genade. Daar spreekt hij nu nog niet over, maar hij maakt ruimte voor dat spreken.

Het gaat Paulus hier niet om de verdorvenheid van het mensengeslacht, geneigd tot alle kwaad en onbekwaam tot enig goed. Wat hem interesseert is de bron van het leven voor ons als dolende mensen. En hij waarschuwt voor de illusie dat we er met wat goede raad of hoge cultuur wel uitkomen. Juist die eigen wijsheid toont ons de doodlopende weg.


26 december 2022 – Bij het Bijbelleesrooster, Romeinen 2:17-29

‘...u die anderen onderwijst, onderwijst u uzelf eigenlijk wel?’

In allerlei beroepen wordt het belang van supervisie gezien. Vooral die beroepen waarin je met mensen werkt, in de (geestelijke) gezondheidszorg, in het onderwijs, in allerlei vormen van geestelijke begeleiding, zoals het pastoraat in de kerk. Gids van blinden, licht in het duister, opvoeder, leraar, Paulus geeft een mooie opsomming. Het is gericht tot hen die zichzelf Jood noemen, niet om Joden te stigmatiseren, maar om ons bewust te maken van een houding.

Je weet iets en geeft dat door, past dat toe op het leven van anderen. Je hebt de ‘belichaming van de kennis en de waarheid’. Maar je bent die belichaming niet. Ook jij hebt het ontvangen en het is goed om je daar steeds weer bewust van te zijn en je te laten voeden in dat ontvangen. Het is niet moralistisch bedoeld, zo van: je hebt je aan je eigen leer en regels te houden. Jezelf onderwijzen betekent dat je zelf wilt luisteren, je durft begeven in je eigen onwetendheid en onkunde.

Moralistisch opgevat zou het betekenen dat je alleen mag werken met mensen als je ook met jezelf werkt. Maar hier betekent het dat je alleen kunt werken met mensen als je ook aan jezelf laat werken. De vrijheid, de vrede, de eigenheid bij anderen op laten lichten, dat kan alleen als je zelf leeft en werkt in die vrijheid, vrede en eigenheid. Dat is in de ogen van Paulus het belang van supervisie, voor de verkondiging, voor het pastoraat, maar ook breder. En de lof om dit innerlijke werk komt niet van mensen, maar van God. Het blijft onzichtbaar, als een stille kracht.


22 december 2022 – Bij het Bijbelleesrooster, Psalm 14

'De HEER kijkt vanuit de hemel naar de mensen
om te zien of er één verstandig is,
één die God zoekt.''

Wie? Wie zal ons redden? Wie zal ons voorgaan? Wie zal ons zo begeesteren dat we volgen? Uiteraard zijn er velen die opkomen voor recht, ook voor het recht van de zwakke. Maar op wereldformaat zien we hem of haar niet, als dominees hebben we altijd dezelfde voorbeelden, Gandhi, Mandela, Bonhoeffer, Martin Luther King, de moderne heiligen.

De problemen in onze wereld leiden soms tot de roep om een sterke man of vrouw. Daar gaat het in deze psalm niet over. Het gaat om de ene die verstandig is, die God zoekt. Dat is die ene die boven alle persoonlijke en groepsbelangen uit kan gaan. De ene die kan denken en doen los van alle gegeven kaders en grenzen. Onze moderne heiligen hebben daar wat van.

Toch is het de vraag of dat het antwoord van de psalm is op onze wanhoopsvragen. Aan het eind wordt Sion genoemd, waarvanuit de redding verwacht wordt. Sion, de berg van de tempel, de plaats waar God en volk elkaar ontmoeten. Dat geldt niet alleen voor die ene, maar voor iedereen. De stad van de vrede is niet daar waar mensen achter de sterke man of vrouw aanlopen, maar zich durven richten op de Heer. De ene is hij die ons daarin voorgaat, Jezus Christus.


19 december 2022 – Bij het Bijbelleesrooster, Romeinen 1:1-15

‘Van Paulus, dienaar van Christus Jezus, geroepen tot apostel en uitgekozen om het evangelie van God te verkondigen.’

Mij treft opnieuw het geweldige zelfbewustzijn van Paulus. Lees de woorden hierboven en die er op volgen. Het is niet te meten, maar het zou een goede maatstaf zijn om te bepalen of iemand geschikt is om predikant te zijn. Maar dan gaat het wel over meer dan geschiktheid en om iets anders dan iemand de maat nemen.

Wie niet geroepen en uitgekozen is moet er niet aan beginnen het evangelie te verkondigen. Nog sterker: hij of zij kan het evangelie niet verkondigen. Het gaat hier over bron en stroom, weg en doel, vorm en inhoud, alles tegelijk. Het evangelie kun je alleen verkondigen als je spreekt uit de bron, opgenomen bent in de stroom, je bevindt op de weg van Jezus. Anders is het niet het evangelie van God, maar een min of meer vroom verhaal of een min of meer wijze levensles.

Het zelfbewustzijn van Paulus gaat dan ook niet over trots of bezit, maar over dienstbaarheid. Zelf geraakt en inbeslaggenomen door het evangelie kan hij niet anders dan het doorgeven. Uit en in die geest spreekt hij en hij voegt direct de daad bij het woord: ‘Genade zij u en vrede van God, onze Vader, en van de Heer Jezus Christus.’


18 december 2022 – Bij het Bijbelleesrooster, Matteüs1:18-25

‘Immanuel’

Het is niet het meest flitsende begin voor een evangelie. Matteüs begint zijn verhaal met een eindeloze reeks verwekkingen, allemaal voorvaders en moeders van Jezus. Als ik zo mijn preek begin, ben ik mijn hoorders snel kwijt. In de traditie van de kerk is het zelfs het begin van het Nieuwe Testament geworden.

Na de stamboom het iets prikkelender verhaal over een meisje dat zwanger blijkt te zijn, maar echt nieuw is dat niet, door de heilige Geest, ja ja. En dan komt de omslag, in de droom van Jozef. ‘Immanuel’, God met ons. God? Daar had Jozef nog niet aan gedacht, in zijn verwarring. Net als de mensen in de tijd van Jesaja. God? In deze duisternis, in dit ontmoedigend en verdelgend geweld, in een wereld vol vlucht en wanhoop?

Jozef krijgt de ogen om het kind te zien met de ogen van de profeet. Hij wordt wakker, een nieuwe helderheid, hij ziet het licht de wereld invallen. En hij blijft bij Maria en de zoon geeft hij de naam Jezus. Het was hem voorgezegd, ingefluisterd, ingeblazen door de engel: ‘Immanuel’.


16 december 2022 – Bij het Bijbelleesrooster, Filippenzen 4:10-23

‘Aan onze God en Vader komt de eer toe tot in alle eeuwigheid. Amen.‘

Rond geven en krijgen hangt vaak ongemak. ‘Dat had niet gehoeven’, ‘dat was niet nodig geweest’. Paulus lijkt er ook last van te hebben. Een wat omslachtige manier om te bedanken voor wat waarschijnlijk een forse gift was. Wat overbodig gepraat over bij elkaar in het krijt staan.

Wat hem in de weg zit komt er aan het eind uit. We leven allemaal van Gods goede gaven. Persoonlijk is hij overrompeld door het evangelie, het was zijn nieuwe geboorte en het is voor altijd zijn bron en zijn leven. Dat zet bepaalde menselijke verhoudingen op scherp. Natuurlijk hebben we veel aan elkaar te danken, maar hoe zeg je dat zonder aan de goddelijke genade tekort te doen.

Zo komt hij tot deze ontroerende, heldere lofprijzing in enkele woorden. Woorden die ontleend zijn aan de geschriften van het volk van het verbond, het volk dat alleen te definiëren is in de relatie met God. Eer, eeuwigheid, amen. Met trillende hand schrijft hij ze op. We kunnen er lang en kort over praten, maar dit is de kern, de bron van alle leven. Soli deo gloria.


15 december 2022 – Bij het Bijbelleesrooster, Filippenzen 4:1-9

‘Laat iedereen u kennen als vriendelijke mensen.’

In het leven van een gelovige is ruimte. Ruimte voor het ademen, het bewegen, het groeien en bloeien van de ander. Dat kun je, heel hedendaags, respect noemen, Paulus noemt het vriendelijkheid. Hij gebruikt althans een woord dat we zo vertalen, hoewel het woord moeilijk te vertalen is.

Mildheid, bescheidenheid, gulheid, zachtheid, goedheid. De scherpe kantjes zijn er af, er is geen ego dat zich moet poneren, geen zwakheid die zich moet beschermen. De uitspraak van Paulus staat ingebed tussen zinnen over de gerichtheid op de Heer. Je hoeft jezelf niet overeind te houden en daarom is er ruimte voor de ander, vriendelijkheid.

En als je al iets nodig hebt, dan laat je dat bekend worden bij God. Dat betekent dat je jezelf bewust wordt van je noden en behoeften. Vervolgens hoef je die niet van je naaste te eisen, bewust of onbewust. Zo staat deze vriendelijke mildheid tegenover drammerigheid en gelijkhebberigheid. Vrede in jezelf en met de ander.


8 december 2022 – Bij het Bijbelleesrooster, Filippenzen 3:12-21

‘Niet dat ik al zover ben en mijn doel al heb bereikt. Maar ik doe mijn uiterste best, in de hoop te kunnen grijpen waarvoor Christus Jezus mij gegrepen heeft.’

Geen woorden voor mensen zoals ik, voor wie ‘je bent er bijna’ altijd klinkt als ‘je bent er nog niet’, voor wie een 9 betekent dat ze nog geen 10 waard zijn. Mensen die zich pas veilig en gerust voelen als alle lijstjes met dingen die moeten afgevinkt zijn, tenminste dat denken ze.

Ik verwacht van Paulus niet dat hij ons opjaagt en ik denk ook niet dat hij dat hier doet. Hij zit nog in de strijd met zijn tegenstanders die van alles eisen van anderen en van zichzelf of zichzelf alvast maar een 10 geven. Daarom zegt hij het mogelijk wat competitief. Hij doet zijn uiterste best voor iets dat hem overkomen is en overkomt.

Het alternatief voor de illusie dat je het ultieme doel kunt bereiken door je uiterste best te doen is om ons als volmaakte mensen te richten op het evangelie van Jezus Christus. Mooi zoals hij hier dat volmaakte erin smokkelt, als een gegeven bij voorbaat voor wie leeft van het gegeven woord, de gegeven liefde.


7 december 2022 – Bij het Bijbelleesrooster, Filippenzen 3:1-11

‘Voor het overige, broeders en zusters, laat de Heer uw vreugde blijven.’

De verbinding met het gedeelte van gisteren is de vreugde. Een kwetsbaar goed, misschien wel het eerste dat sneuvelt bij tegenslag en donkerte. Moed kun je vaak nog bewaren als je bedreigd wordt, hoop ook wel, evenals wilskracht. De vreugde verdwijnt, ‘de glans is er af’ zeiden mensen in verdriet nogal eens tegen me.

Paulus zet in op de Heer, niet op afkomst of prestatie. Hij snapt dat de vreugde snel ondersneeuwt in een leven dat bedreigd wordt door de dood. Juist als die vreugde afhankelijk is van wat je hebt of presteert. Hij verwijst met zijn inzet naar de weg van Jezus, zijn leven en sterven.

De vreugde die hij bedoelt is de vreugde om de opstanding. De vreugde van een mens die ontdekt dat zijn leven niet ligt in wat hij heeft of presteert, maar in wat hij ontvangt van de Heer, in het te boven komen van dat wat neerdrukt.


6 december 2022 – Bij het Bijbelleesrooster, Jesaja 12

'Vol vreugde zullen jullie water putten uit de bron van de redding.''

Er komt veel samen in een zin als deze. Juist daarom spreekt hij me aan. Allerlei scheiding wordt opgeheven. Tussen weg en doel, tussen heden en toekomst. Vooral die tussen oorzaak en gevolg. Alsof er ergens iets in gang gezet zou worden, wat tot onze redding, ons heil leidt. Misschien, ooit, ergens.

We putten uit de bron van de redding. Ik denk dat dat altijd gebeurt als we ons afstemmen op de komst van die koning waarover Jesaja het heeft. Die koning die staat voor het heil, de zegen, de vrede, het recht, het licht. Die koning die we herkennen in Jezus. In dat afstemmen, dat putten, ligt de vrede.

Rondom deze zin gaat het over het lied dat we zingen, over de muziek die we maken. Ook daarin toont zich het samenvallen van wat vaak gescheiden wordt. Zo wordt het zingen en de muziek zelf de bron van de redding, het haalt ons uit ons eigen spookverhaal. Je kunt de zin zo zetten boven veler muziekbeleving.


5 december 2022 – Bij het Bijbelleesrooster, Jesaja 11:11-16

‘Op die dag’, een aanduiding die je bij de profeten regelmatig tegenkomt. Of, nog korter: ‘dan’. ‘De Bijbel in gewone taal’ helpt ons een handje door in Jesaja 11:11 te vertalen: ‘Als die koning komt’. Het is geen goede hulp, vind ik, de suggestie ontstaat dat er eerst aan een voorwaarde moet worden voldaan.

‘Op die dag’ kan er geleefd worden, kan er gevierd worden, is het goed, is er vrede. Die dag is er niet pas als die koning komt, maar die dag is er doordat die koning komt, dat is het kenmerk van die dag. En die koning is daar waar er ontzag geademd wordt voor de Heer, waar we leven van de geest van wijsheid en inzicht, van kennis en ontzag.

We hebben het, met name tijdens advent, veel te vaak over wachten, wachten op God, op Jezus, op zijn komst. Dat schuift het leven op de lange baan, dat veronderstelt dat er eerst aan allerlei voorwaarden voldaan moet worden. Advent is niet wachten op het leven, maar leven in verwachting, in openheid voor het licht dat komt, dat schijnt, hier en nu.


14 november 2022 – Don Quichot

Als ik in het bos in de verte twee ruiters zie, denk ik direct aan Don Quichot. Als ik de programma’s van Ilja Gort zie en zijn quasi toevallige ontmoetingen denk ik aan Don Quichot. Zo ervaar ik iets van de gekte van deze edelman die zichzelf als dolende ridder zag door het lezen van heel veel ridderromans en vervolgens de wereld zag vanuit dat perspectief inclusief zijn ingebeelde liefde voor de ingebeelde schone Dulcinea van El Toboso. Ik las deze wonderlijke roman van vierhonderd jaar geleden. Twee dikke delen, het tweede vond ik nog beter dan het eerste. De topprestatie van Cervantes gaat over vriendschap, van ridder en schildknaap, van pastoor en barbier. Over gekte, maar vooral hoe iemand in zijn gekte integer kan zijn. Het wonderlijke van deze oude roman is het levensechte. In eerste instantie denk je aan schertsfiguren bij Don Quichot en zijn schildknaap -een uit zijn dagelijks bestaan weggehaalde boer- Sancho Panza. Maar het blijken echte mensen die je raken en ontroeren, waarin je van alles herkent. Ook de gebeurtenissen, hoe wonderlijk soms ook, zijn volkomen geloofwaardig. Dat alles prachtig en vol humor verteld en door Barber van de Pol prachtig vertaald. Don Quichot en Sancho Panza komen voor mij in het rijtje van Raskolnikov, Anton Wachter en de jongen Jegoroesjka uit ‘Steppe’ van Tsjechov. Romanfiguren die je niet vergeet en hun eigen leven gaan leiden in mijn eigen verhaal.


28 oktober 2022 -- Weg der verwachting

Bij zijn afscheid als predikant -hij was toen trouwens al jaren hoogleraar- preekte Miskotte over het wachten van Jakob toen hij op zijn sterfbed zijn kinderen zegende. Wachten op zaligheid, op bevrijding. Miskotte noemt dat de weg der verwachting. Alle gewicht en voorrang van het bestaande, van de dingen die nu eenmaal zo zijn, worden onderuitgehaald. We lazen de preek bij ons hernieuwd samen zijn als studievrienden en zagen hoe die verwachting de ogen en het hart openen voor het leven en de wereld, ook in alle wanhoop en somberheid. Moge het ons in onze zekerheid en in onze verlegenheid overkomen dat we ontdekken, dat we begrijpen en zien dat er nog iets verborgen is, zegt Miskotte. Ik preek komende weken over het nieuwe verbond van Jeremia en besef opnieuw dat nieuw hier iets aanduidt van dat ontdekken van wat verborgen is. Verborgen door ons wat ons overkomt, verborgen door ons houvast dat we dachten te hebben. Nieuw gaat in de bijbel altijd over bevrijding, toekomst en zegen, los van wat we zien als het bestaande.


9 oktober 2022 -- Feest

‘Er zit een bedenkelijke kant aan feestvieren. Het is een reflectie: zich bewust maken van een profaan of sacraal gebeuren. Daarom is er iets weemoedigs aan.’

Miskotte zegt het in een preek bij het Pinksterfeest. Hij duidt op de kloof tussen het feest en ons dagelijks leven. Op je verjaardag vier je je bestaan, terwijl dat bestaan misschien helemaal niet zo feestelijk is. Een wrang voorbeeld is het zogenaamde kerstbestand: de oorlog wordt even stil gezet om het feest van de vrede te vieren. Naarmate de situatie waarin we leven meer aanleiding geeft voor somberheid en zorg wordt die kloof groter. De weemoed neemt toe, totdat we het feest maar achterwege laten of het alleen nog maar een vlucht uit de dagelijkse werkelijkheid is. In de preek wijst Miskotte erop dat juist Pinksteren, als het feest van de Geest, deze kloof wil overbruggen.

‘De Geest, dat is het vermogen om Jezus Christus lief te hebben, als het leven zelf, en tegen alle dood. De Geest, dat is de initiatie tot het leven als feest.’

Het vermogen om breder te zien dan wat je gewoonlijk ziet, de deprimerende omstandigheden. Jezus Christus liefhebben betekent, in mijn oren: de prioriteit geven aan de liefde, ‘als het leven zelf, tegen alle dood’. Dat dat een mogelijkheid is vieren we op het feest van de Geest en in dat vieren oefenen we de werkelijkheid ervan.

‘Eindelijk te zijn.’

De laatste woorden van de preek. Te zijn wie je bent, als mens gemaakt van liefde tot liefde bestemd, niet bepaald door je angst en je zorg en je somberheid. Ik schrijf deze woorden op een zondag, in een tijd van grote dreigingen, de dag waarop de kerk samenkomt en zingt, de lof van Jezus, de lof van de liefde, de lof van het leven. En dat is niet bedoeld als een uurtje ontsnapping aan de barre werkelijkheid, maar als een oefening en een waarheid voor alle uren. Het weemoedige dat er aan is verwijst naar de volheid van het leven als feest.


5 september 2022 -- Plek in het verbond

De apostel Paulus denkt na over zijn identiteit. Die vindt hij niet in afkomst en prestatie, schrijft hij in zijn brief aan de Philippenzen. Hij probeert aan te geven waar dan wel in en gebruikt daarbij een begrip dat meestal vertaald wordt met gerechtigheid of rechtvaardigheid. Rechtvaardigheid die toegerekend wordt, wordt er dan vaak bij gezegd, om aan te geven dat het niet om een eigenschap van hem gaat. In een preek hoorde ik zondag de omschrijving van de Engelse theoloog Wright. In zijn boek over Paulus spreekt hij over covenant status, door de voorganger vertaald met ‘je plek in het verbond’. Daar werd ik blij van, het zegt zoveel in een enkele term. Verbond is in de bijbel het verhaal van God en de mens. In die relatie wordt je identiteit bepaald. Als mens die in en tot leven geroepen wordt door woorden van liefde, door gebaren van licht, door het waaien van de geest. Identiteit is dus niet wat vast ligt of wat je moet verwerven, identiteit is wat er met je gebeurt in de ontmoeting, in de afstemming op het licht, van het andere, de woorden van profeten en apostelen. Identiteit is wat je het eerst ziet bij Jezus, leven onder de open hemel, ‘jij bent mijn geliefde’, identiteit is wat gebeurt in de verbondenheid met deze mens, met dé mens, met de ander en met jezelf. Jezelf ingeschreven zien in het verhaal van het evangelie, jouw plek in het verbond.


10 juli 2022 -- ‘Tussen de Amerika’s’

‘Hemel wees ontzet! Huiver, sidder en beef!’ Woorden uit Jeremia 2, waarvan ik vanmorgen een deel las met de gemeente rond de Schepershof in Emmen. Vanavond bekeken we ‘De stilte van Guatemala’, het vierde deel van de serie van Stef Biemans, ‘Tussen de Amerika’s’. En je kunt je iets voorstellen van de woede van Jeremia om de puinhoop die van de gegeven aarde met al haar rijkdom gemaakt wordt, de ellende en het verdriet die mensen elkaar aandoen. Een burgeroorlog van 36 jaar, naar schatting tweehonderdduizend mensen gedood, vijftigduizend verdwenen. Op ontroerende wijze zichtbaar gemaakt door Stef in zijn gesprek met een vrouw die het moment van verdwijnen van haar man voor altijd met zich meedraagt. Opnieuw een prachtige serie van Stef Biemans na onder meer zijn ‘Brieven uit Andalusië’ en ‘Brieven uit de rest van Spanje’. Televisie van hoog niveau en een geweldige zeggingskracht, gemaakt met een hart vol ontferming.


24 mei 2022 -- Les Murray

Bijlslag, echo en stilte. Middagstilte.
Twee mijl hiervandaan is het de twintigste eeuw:
auto's op asfalt, kabelbogen tussen boerderijen.
Hier, met mijn bijl, hak ik me een weg door het zwijgen.

Zo begint het gedicht ‘Houtakker op het middaguur’ van Les Murray. Hij gaat terug naar de streek waar hij vandaan kwam, waar hij later ook weer zou gaan wonen, en schrijft daar een gedicht over. Een verhalend gedicht over zijn ervaringen daar, tegelijk een gedicht over dichterschap en stilte. Hij hakt zich een weg door het zwijgen. Het bijzondere is dat hij in dit gedicht ook spreekt over de stilte die terugkeert als de boom gevallen is. Als het gedicht geschreven is, denk ik daarbij. Deze dichter weet dat hij geen antwoord kan geven op de grote vragen, de levensraadsels niet kan oplossen. ‘Zo is God de in elke religie opgevangen poëzie / opgevangen – niet gevangen – als in een spiegel / die hij opriep door in de wereld te zijn’. We leven in en van het geheim, deze dichter beschrijft dat leven met een grote vreugde om de rijkdom van de taal, maar hij suggereert niet er daardoor dichter bij te komen. Dat hoeft ook niet, het leven en de taal zelf bevat de rijkdom van de vrijheid, in de weerspiegeling van het geheim. Vandaar de vanzelfsprekende toon in de gedichten van Les Murray, hij weet van het geheim, het onzegbare, maar hoeft dat niet aan te tonen door boven zichzelf uit te reiken. Heschel zegt: ‘… waar geschiedenis wordt opgevat als de vervulling van de waarheid’. In veel getob, te beginnen bij dat van mezelf, vermoed en voel ik een verzet tegen de waarheid, de genade, het licht, altijd al aanwezig. Les Murray brengt me dan terug bij het leven zelf, zie als voorbeeld de twee langere gedichten die ik plaatste op mijn pagina Gedichten. Het heel gewone, alledaagse, wordt hier geëerd en zo geheiligd. In ‘Droombabwe’ (wat het woord betekent weet ik niet) een mooi beeld van ondergaan en bovenkomen, in en uit de taal, in en uit de verhalen, in en uit het leven. Ik denk ook aan de doop, sterven en opstaan.

Droombabwe

Druipend komt een nijlpaard boven
als het hoofd van iemand
die, de ogen nog in trance,
opduikt uit een meer van strofen.


24 april 2022 -- Getob

Het boek ‘Dicht bij het onuitsprekelijke’ van Martien E. Brinkman is een boeiend boek. Mij meer of minder bekende dichters passeren de revue in hun, veronderstelde, pogingen het onzegbare te verwoorden. Meestal gaat het dan over God of een alternatief zoals licht, leegte, systeem. Op den duur vind ik het allemaal wat tobberig worden. Min of meer christelijk getob noem ik het. Over God die onbereikbaar is, zich verbergt, zich niet houdt aan zijn woord, twee gezichten heeft, niet in woorden te vangen is. De gedichten gaan dan vaak over heimwee, verlangen, wanhoop, eenzaamheid. En het is alsof Brinkman zoekt naar de spoortjes licht in hun getob. Erg op de inhoud gericht dus, terwijl poëzie toch ook over vorm gaat. Over hoe ver je met taal komt als je stil staat bij het onuitsprekelijke. Over de vreugde van het verwoorden. Ik vroeg me bij het lezen af of het getob nu van de dichters is of toch meer van Brinkman. In ieder geval kreeg ik behoefte me weer eens onder te dompelen in het werk van Les Murray, de dichter die de gewoonste dingen, gewoon alles wat voorkomt, heiligt door ze te verwoorden. Onbekommerd, op een vanzelfsprekende wijze, in het besef van Nijhof. ‘Want iedereen blijven Gods woorden vreemd, / Behalve hem die ze van God zelf verneemt’. Les Murray doet daar op een diepe manier niet moeilijk over, hij neemt waar, hij reageert, hij dicht. Later iets meer over deze dichter.


19 maart 2022 -- Hoop

HOOP

Hopen dat doe je, wanneer je gelooft
Dat de aarde levend lichaam, geen droom is.
Dat ogen, oren en handen je niet beliegen.
Dat alle dingen die je hier leerde kennen
Als een tuin zijn, en jij staat in de poort.

Binnengaan kan niet. Maar hij is er zeker.
Konden we hem beter en wijzer zien,
We zouden nog, in de tuin van de wereld,
Een nieuwe bloem ontwaren, menige ster misschien.

Sommigen zeggen, dat het oog ons bedriegt
En dat niets bestaat, alleen maar in schijn.
Maar juist deze mensen kennen de hoop niet.
Ze denken: het volstaat hem de rug toe te keren,
En de wereld houdt plots op te bestaan,
Als in dievenhanden verdwenen.

Een gedicht van Czeslaw Milosz. Hoe de wereld plots in dievenhanden kan verdwijnen, ervaren we deze dagen al te pijnlijk. Ik ben altijd wat op mijn hoede als er over hoop gesproken wordt, beducht voor een wegkijken van de concrete, vaak bittere, werkelijkheid van alledag. In dit gedicht is het precies andersom. Zij die neerkijken op de aardse werkelijkheid, vaak met de gedachten bij een hogere, echtere wereld, dat zijn juist de mensen die de hoop niet kennen. Zij verwachten niets meer van de tuin waarin we geplaatst zijn. Dan laat je de wereld over aan de dievenhanden. We weten dat we die tuin niet helemaal kennen en begrijpen, wel kunnen we die tuin trouw zijn, dat is hier hoop. Vandaag was het Landelijke Opschoondag, we gingen het zwerfvuil te lijf. Dat kreeg voor mij een extra lading door de verwoesting elders. We laten de aarde niet aan de dievenhanden.


10 maart 2022 -- Verweer

‘Wat is je verweer?’ Ik vroeg het wel eens aan mensen die diep in hun verdriet of zorg zaten. Sommigen keken me bevreemd aan, bij anderen zag ik wat oplichten. Nu stel ik de vraag aan mezelf, in mijn angst en zorg om de oorlog die woedt. In Trouw van vanmorgen lees ik het zoeken van twee theologen van het Theologenelftal. Naar verweer, naar antwoord. Ik herken me in de woorden van Erik Borgman. Reflecterend op de vraag of het geloof helpt in de angst voor de bom zegt hij: ‘… het geloof laat mij zien: we zijn niet verloren als we bang zijn. Er is iets of iemand anders die ons door de nood heen draagt. Het geloof neemt de angst niet weg, maar geeft een nieuw perspectief: ik hoef niet bang te zijn voor mijn eigen angst.’ Geloof is niet een soort stoerheid waarin je altijd overeind blijft. Bij Barth lees ik: ‘Geloof is dus geen staan, maar een opgeheven zijn en een hangen zonder bodem onder de voeten.’ Even verder zegt hij dat de gelovende mens zichzelf – ondanks de duisternis die in hem zelf is – vindt in het licht van Christus. Het geloof is dan de waarheid in de tijd van de eeuwige waarheid die in Jezus openbaar werd. (Voor wie het na wil lezen: KD II-1, p. 178) In mezelf klinken steeds de woorden aandacht en toewijding. Aandacht voor alles wat je gegeven wordt, het licht, de ander, de woorden. Toewijding als trouw aan de gaven die je ontvangen hebt. Bang of niet, maar in die aandacht en toewijding ligt dan een zeker verweer tegen de barbaarsheid.


13 februari 2022 -- Kracht van verwondering

’Het begin van ons geluk ligt in het begrijpen dat een leven zonder verwondering niet waard is om geleefd te worden. Wat we missen is niet een wil om te geloven maar een wil om ons te verwonderen.'

'De weg tot het geloof leidt door telkens opnieuw ervaren verwondering en radicale verbazing.'

Zinnen uit het boek ‘God zoekt de mens’ van Abraham Joshua Heschel. Hij schreef het als ‘Een filosofie van het Jodendom’ en het boeit me zeer. Het hoofdstuk over verwondering inspireerde me tot een dienst rond verwondering. Bij het voorbereiden kwam ik weer eens bij het gedicht ‘Ontmoeting’ van de Poolse dichter Cseslaw Milosz. Verwondering komt in dit gedicht naar voren als een kracht die opent. Nostalgie en ook verdriet zet de zaak op slot, geeft stilstand. Maar dit gedicht kan als titel ontmoeting hebben. Ontmoeting met wat niet meer is, daar kun je verder mee, dat is hier de kracht van verwondering.

Ontmoeting

We reden voor het licht werd langs bevroren velden;
de rode vleugel rees reeds, maar het was nog nacht.

Opeens schoot vlak voor ons een haas voorbij,
een van ons wees met zijn hand.

Dat was lang geleden. Nu leven ze niet meer,
de haas, noch hij die naar hem wees.

O mijn liefde, waar zijn ze, waarheen gaan ze,
de flits van de hand, de lijn van de ren, het doffe geroffel –
niet uit verdriet vraag ik dit, maar uit verwondering.


21 december 2021 -- Lichamelijk

Heel vaak was er in de christelijke theologie een zich afwenden van de aarde en het lichaam. Het heil lag elders, in een gerichtheid op de hemel die geestelijk was. Voor een deel was dat in het spoor van de Griekse filosoof Plato, die gescheiden dacht over lichaam en geest. Dat bracht veel negatiefs met zich mee in de waardering van seksualiteit, in de verhouding van man en vrouw, in de omgang met de aarde. Afgelopen zondag stond ik stil bij de woorden van Genesis, ‘en de geest Gods zweefde over het water’. Wat me deze keer opviel was hoe direct de aandacht afgeleid wordt van de hemel naar de aarde in die eerste verzen van de Bijbel. Er is hier geen ruimte voor dualisme, een scheiding tussen lichaam en geest. Op het rooster stond het verhaal van de ontmoeting van Maria en Elisabet. Een heel lichamelijk, zintuiglijk verhaal. De zegen wordt onmiddellijk ervaren in het lichaam, ‘het kind sprong op in haar schoot’. Zo dichtbij komt de zegen, de geest die over het water van ons leven zweeft, dat het kind opspringt in ons.


27 november 2021 -- Los

‘Ik dacht dat het dit betekent: dat we in niets meer werkelijk geloven, dat we aan niets meer hechten, dat we op niets meer bouwen dat berust op redenering of vermoedens of intuïtie, – dat we vreemd worden aan elke wereldverklaring, dat we vreemd worden aan elke troost die daarop berust.’

Miskotte preekt over de gelijkenissen waarin een mens alles verkoopt terwille van dat ene. Dat ene is uiteraard de waarheid en de schoonheid van het evangelie van het Koninkrijk. Daarvoor alles te verkopen. Het is altijd weer zoeken naar woorden om aan te geven wat dat betekent. Loslaten, het vertrouwde achter je laten. In het citaat hierboven veronderstelt Miskotte dat het gaat om een gebied voorbij geloven en voorbij hopen. In zijn visie blijft er weinig over. Het is een leven zonder grond en dat erkennen. ‘Los staan’ zegt hij in de volgende zin. En dat is dan gelijk aan het kopen van die ene parel, die ene akker. Verrassend is dan het einde van zijn preek. ‘U hebt het al gedaan’, door te luisteren naar het evangelie, door naar de kerk te komen, door je aan te sluiten bij de gemeenschap die zich richt naar Jezus? In ieder geval brengt hij je als hoorder terug bij jezelf.

‘Daarom, verkoop alles wat gij hebt en koop die akker. Ach neen, zo moeten we het eigenlijk niet zeggen. U doet het, u hebt het al gedaan, u hebt het al gedaan met vreugde.’


17 november 2021 -- Het bureau

Herlezen is fijn. De meeste grote romans van Dostojewski heb ik wel drie keer gelezen en ook veel theologisch werk van Miskotte en Barth las ik nog eens en soms nog eens. Je weet ongeveer hoe het verhaal of de gedachte loopt en je gaat meer details zien. Ook de verbanden tussen die details kun je gemakkelijker zien. Een half jaar geleden wist ik niet goed wat te lezen en net op dat moment las ik van Gerbrand Bakker dat hij opnieuw aan ‘Het bureau’ van Voskuil begonnen was. Ik had het gelezen bij het verschijnen in de jaren negentig en ben ook opnieuw begonnen in het eerste deel van de zevendelige romancyclus. Nu heb ik het hele werk voor de tweede keer gelezen. De terugkerende triestheid en treurigheid van Maarten Koning viel me meer op, maar ook de momenten van geluk en vrede. Maarten Koning, de naam waaronder Voskuil zijn eigen belevenissen en belevingen opschrijft, is een beschouwer, een waarnemer. En soms ligt in dat waarnemen zijn geluk, een gevoel van zin zelfs. Hieronder een mooi voorbeeld. Hij loopt door Amsterdam en ziet. Ik denk dat hij het goed zou kunnen vinden met Thomas Schlijper, in velerlei opzicht, maar ik denk hier vooral aan het zien van de stad in alle kleine variaties. Zie bijvoorbeeld zijn serie foto’s van de Eenhoornsluis. Ook Thomas loopt trouwens vaak in de buurt die Voskuil hier beschrijft.

Met de krant in zijn hand liep hij de Keizersgracht af. Op de brug bleef hij staan. Het was nog licht, maar de lantaarns waren al aan, een regelmatige rij oranje lichten aan weerszijden van het water tot de Westertoren. Het ontroerde hem. Als dit nu eens de zin van het bestaan was: Het waarnemen van kleine variaties in steeds hetzelfde stukje van de wereld waar je toevallig woonde. – Hij liep langzaam verder en keek in dezelfde huizen naar binnen. In het café op de hoek waren de lampen op. Bij het raam zaten wat mensen, aan de tapkast stonden er nog wat, een glas bier voor zich. In het westen, boven de Jordaan, was de hoge hemel nog rood. Tegen dat rood tekende de Noorderkerk zwart af, de kleine klokketoren, de pinakels op de uiteinden van het dak. Dat is genoeg, dacht hij. Meer hoeft niet.


27 september 2021 -- Regen

Toen we laatst tijdens een weekje weg een regendag hadden, dachten we aan de dichter J.C. van Schagen. In zijn gedichten regent het nogal eens. Het is een symbool van verbinding, verbinding met elkaar en met de dingen. Het is vooral een symbool dat ons stil zet, dat ons ons af doet vragen waar we zijn. Zo komen we door de regen in het nu.

nu ga ik leven
nu komt hij
nu komt de grote regen
en ik tril, als een dankbaar blaadje
dat almaar willig meenikt
met de dans van de grote regen

De regen als de zegen van de inspiratie, die van boven komt en door mij stroomt. De regen die mij er de ogen voor opent dat ik nu leef op deze plaats. Zo helpt de regen me los te laten, te beseffen dat ik leef in de trilling, als een dankbaar blaadje, tot leven gebracht door alles wat tot me komt. De regen brengt me in relatie met de ruimte in alles, met de goedheid in alles, met de grootsheid in alles. Op mijn pagina Gedichten staan drie gedichten van deze dichter. In de eerste twee speelt de regen een belangrijke rol, in de derde het water van de grote zee. Hier nog een haiku van J. C. van Schagen.

voor mijn jaardag? ik?
het allerliefste?
een zware regen


3 september 2021 -- Het leven der gemeente

Niets zo vermoeiend in het predikantenbestaan, is mijn ervaring, dan de voortdurende wens en neiging om de kerk te redden. Miskotte laat me in het laatste hoofdstuk van zijn ‘Bijbels abc’ zien waarom dat zo is. Het gaat voorbij aan de kernvraag wat het leven van de gemeente is. En dan niet gedacht als het overleven van de kerk, maar als het wezen van de kerkelijke gemeenschap. Dat bestaat in de eenheid van een luisterend, mystiek leven en de praktijk van de liefde. Miskotte mist die levende gemeenschap ook in zijn tijd al en hij ziet de pogingen om weer leven in te blazen in de kerk. Allemaal goed en aardig, maar het wezen van de kerk ligt in het ‘leven onder het Woord’. De beslissende scheidslijn ligt tussen luisteren en niet luisteren, een leven in tevredenheid of in gevecht met alle machten die zich aandienen of een leven vanuit bevrijding en openheid. Het abc van Miskotte is bedoeld om te helpen bij het luisteren naar de woorden van vrijheid, opstand en troost. Het evangelie doorbreekt op alle fronten de gedachte dat we het zelf maar moeten uitzoeken en klaarspelen, dat is de breuk die Miskotte de breuk met de natuurlijke theologie noemt. Die breuk is ook de bron van het leven van de gemeente. Het maakt een eind aan alle dogmatische scherpslijperij, maar ook aan alle eisen die we onszelf stellen op het gebied van leer en leven, van geloof en praktijk. ‘Hoe minder wij uit onszelf weten, des te dichter komen we bij elkaar.’ En daar zet ik niet achter: ‘En bij onszelf en bij God’, ook die zorgen lossen op in dit niet weten en luisteren.

(Bij hoofdstuk 12 van ‘Bijbels abc’ van K.H. Miskotte. Eerdere reflecties op ‘Bijbels abc’ van Miskotte schreef ik op 15 december, 5 januari, 13 januari, 1 februari, 9 maart, 20 april, 4 mei, 18 mei, 26 mei, 7 juli en 25 augustus jl.)


25 augustus 2021 -- Verwachting

In hoofdstuk 11 van ‘Bijbels abc’ veegt Miskotte de vloer aan met de woorden van het gesloten wereldbeeld van het 19e-eeuwse burgerdom. Woorden als eeuwigheid, natuur, persoonlijkheid en ideaal. Ze suggereren een compleet beeld dat ons altijd weer welkom is, want het geeft zekerheid en veiligheid temidden van de chaos, de vergankelijkheid en de kwetsbaarheid van het leven. Het bijbelse verwachten breekt met deze oerwoorden van ons wereldbeeld. ‘Het is alsof in deze letter van het abc een kritische kracht woont, die het dichtgroeien van onze menselijke voorstellingen en dromen gedurig verhindert.’ Het wachten in de Bijbel staat haaks op onze dagelijkse strategieën van verklaren, begrijpen, oplossen, bijsturen en repareren. Deze verwachting is openheid voor de nieuwheid van dit moment, en die vindt een mens nergens anders ‘dan op zijn creatuurlijke plaats, in zijn gegeven leven, zijn bepááld lot, zijn dagelijkse roeping en strijd’. Verwachting maakt ons tot nomaden die leven met en van het onaffe, in de vrijheid van de open geest. In één zin vat Miskotte het prachtig samen. ‘Zo beginnen we onze Exodus, onze uittocht uit de levensbelemmerende verbanden van het heidendom, onze doorbraak door de vreemde staketsels van het gangbare christendom, onze daadwerkelijke reserve tegen ‘the way of life’ van Jan en alleman.’

(Bij hoofdstuk 11 van ‘Bijbels abc’ van K.H. Miskotte. Eerdere reflecties op ‘Bijbels abc’ van Miskotte schreef ik op 15 december, 5 januari, 13 januari, 1 februari, 9 maart, 20 april, 4 mei, 18 mei, 26 mei en 7 juli jl.)


9 augustus 2021 -- Wachten

Voor een dienst rond het wachten van Psalm 33 – zo mooi berijmd met ‘Wij wachten stil op Gods ontferming’ – zocht ik naar teksten over wachten. Zo kwam ik het gedicht van Goethe tegen.

Über allen Gipfeln
Ist Ruh,
In allen Wipfeln
Spürest Du
Kaum einen Hauch;
Die Vögelein schweigen im Walde.
Warte nur, balde
Ruhest Du auch.

Hoewel het wachten van Psalm 33 ook vrede en rust in zich heeft, kon ik deze tekst niet gebruiken voor mijn dienst. In het gedicht gaat het over de rust van de dood en dat is niet de rust waar de Bijbel op wacht. Het is wel stil in het graf, maar dat is omdat daar niet de lof van de Heer gezongen wordt (Psalm 115). In de Bijbel gaat het altijd om dit leven, het leven ons gegeven, het leven waarin we geplaatst zijn, en de dood is geen rustgevend alternatief. Het is ‘de laatste vijand’ die overwonnen, vernietigd wordt. Overwonnen in het wachten op Gods ontferming. In het volle besef van de eindigheid ja zeggen tegen het leven. Goethe werd 82, misschien was zijn gedicht een deel van zijn ja, een mooi gedicht is het hoe dan ook. Schubert heeft het op muziek gezet, Menno Wigman heeft het vertaald.

Boven elke bergtop
heerst rust,
in elke boomkruin
bespeur
je amper nog een zucht;
de vogels zwijgen in het loof.
Wacht maar, spoedig
rust jij ook.


7 juli 2021 -- Heiliging als breuk

De nieuwe mens, de ware mens, de verlichte mens, de bekeerde mens, de wedergeboren mens, allemaal begrippen om aan te geven waar het naar toe zou kunnen met een mens. Miskotte gebruikt ze niet, in zijn hoofdstuk over heiliging in ‘Bijbels abc’ stelt hij eenvoudig dat hier de mens in het gezichtsveld komt, als gezien, geroepen, genoemd, bevraagd, vrijgemaakt, kortom geheiligd. Altijd in de eerste plaats als werkwoord. Op alle bladzijden van dit hoofdstuk bestrijdt Miskotte dat de mens op zichzelf iets zou zijn of worden. De heiliging betekent een breuk met die gedachte.

‘En we kunnen maar niet geloven, dat als het Boek der boeken geopend wordt, ons levensboek, waarin te bladeren, hoe het zij, ons zo goed kan doen, dichtslaat.’

Daar gaat al ons gepieker en gereken over ons verleden. Mijn pogingen om mijn schaamte de baas te worden, mijn zoeken naar waardevolle momenten. Om maar iemand te zijn. Dat boek wordt dichtgeslagen in het horen van het evangelie, in de ontmoeting met Jezus. En dat geldt ook voor vandaag en morgen.

’Het zal er niet op aankomen, dat hij toch nog of toch weer een mens is, maar dat hij een mens-van-God is.’

Het opvallende is dat Miskotte nergens een definitie geeft van wat mens zijn dan is. Het gaat er juist om dat dat niet vastligt in oude of nieuwe eigenschappen. We worden ongelovig gemaakt ten opzichte van de wereld en al haar goden, dat betekent ten opzichte van alles wat zelfstandigheid pretendeert en opeist. Mens zijn is leven met een open hart en open geest. Ik denk aan woorden van Haggaï, die deze week op mijn pad kwamen.

’Het is waar dat het zaad nog ongebruikt in de schuur ligt, en ook hebben de wijnstok en de vijgenboom, de granaatappel en de olijf nog geen vrucht gedragen, maar vanaf vandaag zal ik jullie mijn zegen geven.’

(Bij hoofdstuk 10 van ‘Bijbels abc’ van K.H. Miskotte. Eerdere reflecties op ‘Bijbels abc’ van Miskotte schreef ik op 15 december, 5 januari, 13 januari, 1 februari, 9 maart, 20 april, 4 mei, 18 mei en 26 mei jl.)


20 juni 2021 – Niet nodig

‘De liefde heeft de hemel niet nodig.’ Een zin uit het boek ‘Plaatsbekleding’ van Dorothee Sölle. Een boek uit 1965 waarin ze betoogt dat het idee van plaatsbekleding in de theologie niet moet gaan over vervanging, maar over vertegenwoordiging. Plaatsbekleding is op die manier een tijdelijke zaak, die ons de gelegenheid geeft mens te worden en te zijn. Aan het eind van het boek staat de zin die bij mij bleef echoën. ‘… de liefde wil de hemel niet. Ze heeft de hemel niet nodig.’ Sölle verzet zich tegen een theologie waarin op non-actief gezet wordt. Dat kan zijn door een theologie waarin genade zodanig opgevat wordt, dat niets op aarde er meer toe doet. Dat kan ook in mildere vorm door een theologie die een parallelle wereld voorschotelt, de hemel, die, al of niet te verdienen, de uiteindelijke bestemming van de mens is. In beide vormen verdwijnt de mens uit beeld. Juist in de liefde krijgt dit aardse leven het gewicht dat het leven toekomt. ‘In het zijn-voor-de-ander wordt het zoeken naar de eigen identiteit overbodig’, omdat het leven plaatsvindt en volheid krijgt in de liefde, voor de ander, voor jezelf, voor de wereld waarin je leeft. Die liefde heeft de hemel niet nodig als alternatief bestaan. Zo werd voor mij haar betoog over vervanging en vertegenwoordiging duidelijk aan die paar woorden over liefde. In de theologie wil de mens nog wel eens uit het beeld verdwijnen, in het evangelie gebeurt dat nooit.


26 mei 2021 -- Weg

Bij hoofdstuk negen van ‘Bijbels abc’ van Miskotte kwam bij mij het moderne zoeken naar identiteit in gedachten. Een naburig dorp heeft sinds kort tweetalige plaatsnaamborden, grote vreugde bij sommige inwoners. Zomaar een voorbeeld van het krampachtig zuchten naar identiteit. Tamelijk onschuldig nog, maar de wereld is vol van kwalijker voorbeelden, overal waar identiteit gezocht wordt in het behoren bij een bepaalde groep of in het juist niet behoren bij een bepaalde groep. Miskotte schrijft over de Weg van God. De Bijbel tekent God niet als een constante identiteit, maar als een ingaan op de situatie.

‘Er zijn graden in de tegenwoordigheid Gods; bij een stervende is Hij ánders dan bij een jong wezen dat zijn lente viert nabij. Hij is anders tegenwoordig in de geschiedenis dan in de natuur, anders in de wereld dan in de kerk, anders in het woord dan in het teken, maar ook vandaag anders dan in vroeger eeuwen.

Dat ondergraaft het zoeken naar een constante in onszelf. Je kunt ook zeggen dat het een bevrijdend aspect van het evangelie is: maak je geen zorgen over wie je bent, maar leef met Immanuël, ‘met ons gaat God mee’. Dat leidt tot een opener, speelser, vloeiender leven, een leven dat steeds opnieuw geboren wordt.

(Bij hoofdstuk 9 van ‘Bijbels abc’ van K.H. Miskotte. Eerdere reflecties op ‘Bijbels abc’ van Miskotte schreef ik op 15 december, 5 januari, 13 januari, 1 februari, 9 maart, 20 april, 4 mei en 18 mei jl.)


18 mei 2021 – Woord en liefde

Boven het achtste hoofdstuk van ‘Bijbels abc’ van Miskotte staat ‘Woord’. De God van de Bijbel is een sprekende God. We weten niets van deze God, maar we horen een stem. We worden aangesproken, tot leven geroepen, een weg gewezen. Woord betekent verbinding. Hier, zegt Miskotte, doet de mens zijn intrede. ‘Wat de mens tot mens maakt is dat hij het woord heeft.’ Er gaat iets aan ons vooraf waarop wij kunnen reageren. Het bijbelse inzicht is dat dit een woord van liefde is, we zijn bemind. Ons woord, het antwoord, is de liefde van de beminde. Leven is liefhebben, is een ja tegen de stem die zegt dat we gewenst, geliefd zijn. Dit is de vrijheid van de christen, dat hij zichzelf niet uit hoeft te vinden en te maken, maar dat hij ja kan zeggen op de liefde die hem geschapen heeft. In die zin hebben we niet veel te kiezen, het gaat erom dat we de liefde die in velerlei gestalten op ons af komt gaan herkennen en beamen. Dat is het begin van ons leven, steeds weer. ‘De Heer heeft mij gezien en onverwacht / ben ik opnieuw geboren en getogen.’ (Uit het lied van Huub Oosterhuis) Het ‘opnieuw’ zet ik even tussen haakjes, het bestaan, mijn bestaan, is hoe dan ook een gevolg van de liefde, de kern van het spreken Gods. Verder spreekt Miskotte in dit hoofdstuk over de taal, als een geheel waar wij in ingebed zijn. Ook een deel van de werkelijkheid waarin en waarvan wij leven. Ik zie het wonder gebeuren bij mijn kleinkinderen, als uit het niets is daar de taal en ze passen erin.

(Bij hoofdstuk 8 van ‘Bijbels abc’ van K.H. Miskotte. Eerdere reflecties op ‘Bijbels abc’ van Miskotte schreef ik op 15 december, 5 januari, 13 januari, 1 februari, 9 maart, 20 april en 4 mei jl.)


4 mei 2021 – Daad en leven

Hoofdstuk 7 van ‘Bijbels abc’ van Miskotte gaat over het daadkarakter van de bijbelse openbaring. Als de Bijbel spreekt over God is het niet de bedoeling een theoretische waarheid over God te geven, maar om te laten zien wat de daden van God zijn. Geen theorie over het leven, maar het leven zelf wordt getoond. Ik herinner me een column van Nico ter Linden over een bezoek aan een vrouw in het ziekenhuis. Ze voelde zich ver van het leven en al pratend noemde hij het verhaal over Israël in de woestijn. Haar reactie was er één van verbazing en opluchting: ‘Dus daar gaat dat verhaal over!’. Het daadkarakter van de bijbelse verhalen betekent dat ons leven deel van het verhaal is. Het effect van het verhaal is mijn geschiedenis, mijn leven en opleven. Dat te gaan zien is het horen van de woorden, het horen van de woorden is mijn licht en mijn leven. Dit te bedenken roept vragen op, naar het criterium (Jezus Christus), de reikwijdte van de daden van God (vanuit de daad, de ontmoeting, gezien eeuwig en oneindig, maar daar pas, niet vooraf!). Miskotte bespreekt ze in dit hoofdstuk, maar de kern ligt hier: dat onze geschiedenis Gods geschiedenis is en dat de Bijbelwoorden ons dat willen laten zien. Ik verbaas me dan ook altijd en nog steeds over al die preken waarin het evangelie als een soort theorie gebracht wordt, die desgewenst toegepast kan worden op je leven en de geschiedenis van de wereld. Alsof we er in principe buiten staan en niet al lang leven van de liefde.

(Bij hoofdstuk 7 van ‘Bijbels abc’ van K.H. Miskotte. Eerdere reflecties op ‘Bijbels abc’ van Miskotte schreef ik op 15 december, 5 januari, 13 januari, 1 februari, 9 maart en 20 april jl.)


20 april 2021 -- Erstaunen

‘Zum Erstaunen bin ich da.’ Dat citaat zit in mijn geheugen gegrift sinds mijn eerste lezen van ‘Bijbels abc’. Miskotte citeert hier Goethe die peinst over alle wetenschappelijke kennis dit tot hem kwam. Ik heb het woord vaak in gedachten gehad als ik preekte over het leven als genade. Er is geen reden voor ons bestaan dan dat er liefde aan voorafging. Liefde waarvan Miskotte in het zesde hoofdstuk van ‘Bijbels abc’ zegt: ‘zij is dit, dat God ZICH BEMOEIT met degenen met wie Hij zich niet zou behoeven te bemoeien, en op zulk een wijze, dat het motief ons gans onbegrijpelijk is en blijft.’ Alle grond en noodzaak van het bestaan wordt hier weggeblazen, niets om ons op te beroepen en te beroemen. Alleen dat we gewenst zijn, geliefd. ‘Tot mijn verbazing en verwondering besta ik’. Erstaunen, ik hoor er altijd iets in van stamelen en kreunen, ik begrijp er niets van, maar ik ben er wel. Het komt aan de orde als Miskotte spreekt over de eenheid in alles wat de Bijbel over God zegt. Die ligt in de liefde, als daad, als gebeuren. En als dat de bron van ons bestaan is, waarover we ons verwonderen, is dat ook de eenheid van onszelf. We leven van genade, we zijn genade. Ons leven is een geschenk, wij zijn een geschenk. Daarin en alleen daarin zijn we onszelf. In de stroom van ontvangen en geven.

(Bij hoofdstuk 6 van ‘Bijbels abc’ van K.H. Miskotte. Eerdere reflecties op ‘Bijbels abc’ van Miskotte schreef ik op 15 december, 5 januari, 13 januari, 1 februari en 9 maart jl.)


13 april 2021 – Mijn lieve gunsteling

De obsessie van een 49-jarige man voor een meisje van 14. Daarover gaat het boek ‘Mijn lieve gunsteling’ van Marieke Lucas Rijneveld. Het bijzondere is dat het verhaal verteld wordt vanuit het gezichtspunt van de man. Als een grote monoloog gericht aan het meisje, ‘mijn lieve gunsteling’. Het effect is begrip, begrip voor de man -voor wie ik ergens geen begrip wil hebben, zo weerzinwekkend-, maar ook voor het meisje. Vervreemdend is dat, dat je door de ogen van de dader begrip krijgt voor het slachtoffer. Dat ze het toelaat, het gevaar niet ziet, bescherming zoekt, juist bij hem. En bij mij steeds maar weer de gedachte: wat heeft deze schrijver zichzelf aangedaan door zich zo te verplaatsen in deze man. Dit temeer als je weet dat ze zelf een dergelijke ervaring heeft. Je zou haar willen beschermen in haar kwetsbaarheid al is het duidelijk dat ze overleeft en opstaat in het schrijven. Geen prettig boek, wel prachtig. Ik noem hier de bespreking van ’Floris leest’ op YouTube, geheel in de stijl van het boek, ook de inhoud volgend, als een liefdesverklaring aan het boek. Ergens hoor ik ook de liefdesverklaring aan Marieke Lucas Rijneveld, een schrijver om van te houden.


30 maart 2021– Aus Liebe

Afgelopen zondag was ik in ‘De Opgang’, de kerk van Emmen-Zuid. Boven de dienst had ik gezet: ‘De passiviteit van Jezus’. Niet om Jezus in een bepaald hoekje te zetten, maar omdat ik stil wilde staan bij de houding van Jezus tegenover zijn lijden. Geen vlucht, geen verzet, geen verstoppertje. ‘Ik ga niet bidden of dit zo snel mogelijk voorbij kan zijn.’ Wel vraagt hij om zicht op de ‘naam van God’. Daarmee richt hij zich op het andere verhaal dan dat van zijn lijden. Over het lijden heeft hij geen theorie, daaraan ontleent hij geen zin, geen weg, geen heil. ‘Aus Liebe’ laat Bach zingen, midden in zijn verhaal over de weg van Jezus van veroordeling, geseling en kruisdood. Liefde als de bron, als het andere, het ware verhaal over het leven. Als we de weg van Jezus volgen gaat het niet over een weg van lijden, maar over een weg van liefde, ook in het lijden, tot in het uiterste. Daar waar het leven stil staat door welk leed -welke pijn, zorg of verdriet- dan ook, gaat het leven weer stromen door aandacht voor de liefde, om ons en in ons.

 

 


16 maart 2021 -- Klimaat

We gaan naar de stembus, gisteren, vandaag of morgen. In mijn ogen is de doorslaggevende stem aan het klimaat. Het gaat om de aarde waarop onze kinderen en kleinkinderen zullen leven, de aarde zoals hen die overgeleverd wordt. Vorig jaar augustus stond er in Trouw een artikel over klimaatdichters. Daarin werd een bundel aangekondigd met klimaatgedichten. Die bundel is intussen verschenen, ‘Zwemlessen voor later’. Initiatiefnemer Moya De Feyter vindt dat in een klimaatgedicht zowel angst als hoop aan de orde moeten komen, dat is ook uitgedrukt in de titel van de bundel. Hier in Benneveld is de berm zo langzamerhand symbool van onze zorg voor het klimaat geworden. We zaaien er wilde bloemen in, maaien met beleid, we planten er bomen en struiken en aanstaande zaterdag gaan we samen het zwerfafval opruimen. Het zijn maar randjes, de randjes van onze wereld, maar wel de bereikbare randjes, symbool voor de plekken waar we wat kunnen doen. En gaan stemmen natuurlijk, op een partij die de problemen ziet, onder woorden brengt en alles op alles zet om er iets aan te doen.


9 maart 2021 – Weg met God X

Wie God probeert te omschrijven vindt het verhaal van de Bijbel tegenover zich. Dit des te meer als je daarbij gebruik maakt, op voor- of achtergrond, van begrippen als almacht en oneindigheid. Miskotte spreekt van de nachtmerrie van: God is alles, God kan alles, Hij wil alles, Hij doet alles. We zullen deze beelden moeten laten varen om de God van de Bijbel te kunnen ontmoeten. Je kunt het beter nog omdraaien: de Bijbel probeert ons voortdurend dergelijke beelden af te nemen. De goden worden ontmaskerd en onttroond. En er wordt niet een heel begrip van God opgetuigd om vervolgens te beweren dat deze God hemel en aarde schiep (logisch toch?), maar ‘In den beginnen schiep God de hemel en de aarde’. ‘Weg met de goden’ zegt de Bijbel steeds, maar ook: ‘Weg met God X’. Weg met de grote onbekende die we al projecterend een gezicht proberen te geven. De enige weg is om in te gaan in de geschiedenis, het concrete leven, en daar de zegen van ons bestaan te vinden. ‘God liefhebben door af te zien van God’, zei Meester Eckhart. In mijn taal: maak je niet druk om wie of wat God is, hoe hij of zij past in je leven en in de geschiedenis, het staat het leven en de genade alleen maar in de weg.

(Bij hoofdstuk 5 van ‘Bijbels abc’ van K.H. Miskotte. Eerdere reflecties op ‘Bijbels abc’ van Miskotte schreef ik op 15 december, 5 januari, 13 januari en 1 februari jl.)


24 februari 2021 – Het weinige

Om het geinige af te leren, vervolgens
het chagrijnige, om ten slotte thuis
te komen in het weinige.
Van de lenige liefde in de enige.

Uit een gedicht van Herman de Coninck. Hij schetst een ontwikkelingsgang in zijn leven. Herkenbaar, als je jong bent kunt je overal de draak mee steken. Je de grote dingen van het leven als lijden en dood van het lijf houden door er een grap over te maken. Totdat je merkt dat ze jou ook kunnen treffen. Daar kun je op reageren door te klagen en te mopperen, misschien is er wel boosheid. Begrijpelijk, maar helpen doet het niet. In beide fasen kun je blijven steken, maar mooi is als je thuiskomt in het weinige. Dat je tot rust komt, niet in berusting, maar in een enkel waar woord van liefde. De laatste zin van het gedicht suggereert dat de twee fasen, die van het geinige en het chagrijnige, ook vormen van liefde zijn. Vormen om je te verhouden tot jezelf en de wereld om je heen. Maar van die lenige liefde ga je over naar de enige liefde, de liefde die zich niet hoeft te verbergen, voorbij de onhoudbare posities die je probeerde te behouden.


1 februari 2021 -- Godsnamen

Gisteren vertelde ik de anekdote van mijn eerste beroepingscommissie. Die kwam naar een dienst van mij rond het verhaal waarin Jezus’ woorden benoemd worden als een ‘nieuwe leer met gezag’. Mij werd na afloop gevraagd of ik ook wel over de liefde preekte. Ik zal daar wel ja op gezegd hebben, maar nu denk ik: al mijn preken gingen daarover -hoop ik- dat elk woord van het evangelie, van God en van Jezus, over liefde gaat. In het vierde hoofdstuk van ‘Bijbels abc’ zegt Miskotte dat we door Jezus ‘naar achteren ziende en voorwaarts speurend het wereldwerk Gods zien als heil’. Dat we dat vaak niet zien is een projectie van onze onzekerheid en wantrouwen waardoor we woorden van heil en zegen horen als oordeel en beschuldiging. ‘De nieuwe leer met gezag’ wil niet anders dan ons welzijn. In de woorden van het vierde hoofdstuk: alle benamingen van God in de Bijbel zijn alleen te begrijpen vanuit de ene Naam, het bericht van Gods nabijheid die we leren in Jezus Christus.

(Eerdere reflecties op ‘Bijbels abc’ van Miskotte schreef ik op 15 december, 5 januari en 13 januari jl.)


16 januari 2021 -- Elizabeth Batts

Anna Enquist schreef ‘De thuiskomst’, een boek van 2005. Het gaat over Elizabeth Batts, de vrouw die getrouwd was met James Cook, de grote ontdekkingsreiziger. Interessant om over hem en iets over zijn reizen te lezen, maar het boek is vooral prachtig, omdat het Elizabeth Batts in het licht zet. Over de vele tijd die ze zonder hem was, wachtend op zijn thuiskomst. Van haar zes kinderen werd er geen ouder dan dertig jaar en haar man kwam om bij zijn derde grote reis. Wat me vooral treft is haar verlangen om zijn dood te begrijpen, heel lang loopt ze met het gevoel dat er iets niet klopt in de verhalen rond zijn einde. Anna Enquist gunt haar een antwoord, een sterk verhaal vind ik dat, maar zo geeft ze mooi aan waar Elizabeth naar op zoek is. Het verhaal over de organist die haar bijstaat, één van de weinige verzonnen figuren in het boek, is een ontroerend detail, geheel passend bij de liefde voor muziek van Anna Enquist.


13 januari 2021 -- Naam

‘Onpeilbaar is juist het bepáálde en niets is geheimzinniger dan helderheid. Oneindiger dan het eindeloze is de tijd, die onze tijd én Gods tijd samen is: de ruimte van de Ontmoeting.’

Zo eindigt het derde hoofdstuk van Miskotte’s ‘Bijbels abc’. ‘Naam’ is de titel van dat hoofdstuk, het woord dat voor Miskotte eenheid geeft aan het hele verhaal van de Bijbel. Dat zal velen wat abstract in de oren klinken, maar het wordt in die laatste zinnen ineens heel concreet. Het geheim, de eeuwigheid, de zin, ligt niet achter de dingen, maar is in de dingen, in het leven van alledag. Daar hoef je niet aan voorbij, maar juist daarin wordt God kenbaar. Dat krijg je van een verhaal over God waarin God niet vooraf gedefinieerd wordt als almacht en oneindigheid, maar alleen gekend kan worden in zijn daden, in zijn komen, in zijn spreken, uiteindelijk in Jezus Christus, in de ontmoeting van hemel en aarde. Dan krijgt het ‘gewone’ leven glans, de glans van de vrede en de liefde. Daar draait het verhaal van Miskotte over de Naam om.


5 januari 2021 -- Leer

In het tweede hoofdstuk van ‘Bijbels abc’ stelt Miskotte dat de Bijbel gelezen wil worden als leer. Dat is zijn vertaling van Thora. Leer is dan geen stelsel van regels en opvattingen die nagevolgd moeten worden, maar is op te vatten als ‘dat wat ons leert’. Wat ons leert te leven, zelfs in die zin dat het ons doet leven. In dat verband geeft Miskotte de driedeling: ‘het RECHTE boven, het GERICHT over en de RICHTING aan ons leven’. In de lijn van het eerste hoofdstuk, ‘geen gezag vooraf’, stelt hij nu ook dat het er niet om gaat dat we de woorden van de Bijbel bewaren, maar ons laten vormen door die woorden, steeds weer. Lees zo de citaten uit dit hoofdstuk hieronder.

‘Ons moet iets wedervaren.’

‘Waarheid dient niet om beschouwd te worden, zij maakt scheiding, zij dwingt tot beslissingen, tot een keuze, links of rechts.’

‘De Leer gaat mee de diepten door en over de hoogvlakten. De Leer is een verwoesting van onze eenzaamheid. Zij zendt ons in het open leven. En stelt ons daar ons mondige mensen!’

‘’Zij volhardden in de leer der apostelen’ (Hand. 2:42), dat wil niet zeggen: ze hielden vast aan de waarheid daarvan, maar: zij bleven bezig zich door de levende stem der apostelen te laten onderrichten.’


27 december 2020 -- Kerst

In het begin was het Woord, het Woord was bij God en het Woord was God.
Het was in het begin bij God.
Alles is erdoor ontstaan en zonder dit is niets ontstaan van wat bestaat. 
In het Woord was leven en het leven was het licht voor de mensen. 
Het licht schijnt in de duisternis en de duisternis heeft het niet in haar macht gekregen.

Nog wat namijmeren over kerst bij de woorden van Johannes 1. Dat aan alles iets vooraf gaat, wat hier het Woord genoemd wordt. Het licht en het leven, ons bestaan. En dat ‘iets’ wordt mens, heeft een naam en een gezicht. De naam van redder en het gezicht van liefde. Leven is gered en geliefd worden. Kerst vieren is je oorsprong vieren, hier begint het nieuwe leven, steeds weer, elke dag. Bezie je zelf als het nieuw geboren kind.


15 december 2020 – Aannemelijk

In navolging van een vriend weer eens begonnen in ‘Bijbels abc’ van Miskotte. Hij brengt me altijd direct bij de kern van geloof en leven. In het eerste hoofdstuk schrijft hij over het lezen van de Bijbel. Het gezag gaat voorop. Daarom geen beredeneren van dit gezag. Gezag betekent hier dat de woorden beslag op ons leggen, ons in een andere werkelijkheid plaatsen, ‘meer zoals een kunstwerk dat doet dan zoals een betoog dat zou doen’. In mijn doorgeven van het evangelie probeer ik dan ook alle redenatie die het aannemelijk zou maken te vermijden. Aannemelijk: aanvaardbaar, acceptabel, begrijpelijk, bespreekbaar, bevattelijk, billijk, geldig, geloofwaardig, overtuigend, plausibel, redelijk, schappelijk, valabel, waarschijnlijk. Elke poging het evangelie in deze sfeer te trekken doet er afbreuk aan. Het evangelie is een vreemd element in ons dagelijks leven, dat is juist de kracht ervan, daarin ligt juist de troost. Een goede overdenking begint voor mij dan ook ‘pats boem’, geen inleidende opstapjes of warmmakertjes. Ik laat me daarbij vaak helpen door iemand als Beethoven -in feite gebeurt het in alle muziek-, die gewoon begint. ‘Pats boem’, dit is wat er gezegd moet worden vanuit het horen van de woorden die ons hart bevrijden.


8 december 2020 -- Genade

Tegenover schuld staat vergeving, genade staat tegenover schaamte. Dat lees ik in een interview met Ruard Ganzevoort, theoloog en lid van de Eerste Kamer. Daar moest ik even over nadenken. Zo naast elkaar had ik het nooit gedacht. Meer dat vergeving een vorm van genade is. Je wordt niet afgerekend op je misstappen en tekorten. Vergeving ontvangen betekent dat je niet eerst alles hoeft goed te maken, voordat je verder kunt leven. En dat klinkt voor mij als genade. Dat in het interview schaamte apart genoemd wordt, met genade als antwoord, vind ik heel mooi. Schaamte is veel breder dan schuld, het kan toegeëigende schuld zijn, maar ook je bestaan of een aspect van je bestaan betreffen. Ik denk dat ik me meer schaam dan dat ik me schuldig voel. De schuld is meer aangepraat, komt van buitenaf, de schaamte zit van binnen, ‘eigenlijk’ mag ik er (zo) niet zijn. De (verkondiging van de) genade maakt al dat getob irrelevant, genade geeft ruimte, geeft lucht, is leven.


26 november 2020 -- Eenzaamheid

Misschien wat vreemd om in deze tijden van afstand en quarantaine om een dag eenzaamheid te vragen. Ik hoorde het gedicht van Jan Wit in een tv-programma. ‘Dat niemand let op wat ik doe’: dat spreekt me wel aan, ik kan er slecht tegen op de vingers gekeken te worden. Dat het daar niet over gaat wordt in het vervolg van het gedicht wel duidelijk. ‘Juichen of beklagen’, likes en dislikes, op het voetstuk gehesen worden of neergemaaid worden. Al lezend denk ik aan alle innerlijke stemmen, misschien nog wel sterker dan die van buiten. ‘De rust der eerste dagen’, de dagen van onschuld en onwetendheid, daar verlangt het gedicht naar. Daar is het open en kunnen we op ademen. Het beeld van de akker die geploegd wordt vind ik wat gewelddadig, zeker met de huidige landbouwmachines in beeld. Gelukkig gebeurt dat in hier in Drenthe weinig. De boer strijkt het land een beetje glad en het is weer zaaiklaar. Om dat zaad gaat het uiteraard, dat dat een kans krijgt, dat ik ontvankelijk word, ‘in de veelheid van geluiden’. Het is die eenzaamheid waar deze bede om vraagt, de eenzaamheid van het ‘In den beginne’, waar de geest van God zweeft boven de wateren. Die ene dag kan vandaag zijn, is in de bede vandaag.

Bede

Geef, Heer, één dag, dat mensen mij niet vragen:
“waarheen en waarvandaan”, “waarom en hoe”,
één dag, dat niemand let op wat ik doe,
niemand mij stoort met juichen of beklagen.

En laat de vele stemmen, die mij moe
maken, verstommen: doe van wielen ’t jagen
verstillen, dat de rust der eerste dagen
me omgeve. Sluit de mensenwereld toe.

Dan wil ik op een open vlakte rusten
en voelen, hoe mijn wezen zich verbreidt
–één met de aarde– tot de verste kusten.

Dan weet ik, dat gij mij als akker splijt
en strooit uw zaden in mijn onbewuste.
Geef, Heer, één dag van zo grote eenzaamheid.


4 november 2020 -- Kerkklok

‘O kerkklok van mijn dorp’. Bij een gedicht dat zo begint ben ik direct vertrokken. Naar het dorp van mijn jeugd. Het klokgelui is voor mij misschien wel het meest eigene van het dorp waarin ik ben opgegroeid. Het maakt een eenheid van het dorp, verbindt oude en nieuwe gedeeltes, verbindt het bewoonde dorp met de lege polder er omheen. Het onderstreept ook de stilte van het dorp, elke middag om twaalf uur, vooral ook op het moment van een begrafenis. Het geluid van de klok verbindt dan ook de bewoners met elkaar, allemaal weten we: hier wonen en leven wij. Het gedicht van de Portugese dichter Fernando Pessoa gaat over droefheid en heimwee. De heimwee herken ik wel, de droefheid niet zo. Ik ervaar het geluid uit de grote toren vooral als een bevestiging van het leven en het samen zijn. Een prachtige waarneming is de tweede strofe: ‘dat je allereerste slag al als een herhaling klinkt’. Ook in mijn ervaring is dat zo, bij de eerste slag ben ik thuis. Daarom ben ik blij met de opname van Niels van der Giessen, ik luister er zo nu en dan graag naar.

O kerkklok van mijn dorp,
die opklinkt in de stille middag,
iedere slag van jou doet
in mijn hart zijn droef beklag.

En je galmt zo langgerekt en
triest, alsof het leven wringt,
dat je allereerste slag al
als een herhaling klinkt.

Hoe dicht bij mij je ook slaat,
als ik langskom, steeds verward,
ben je als een droom voor mij.
Je klinkt ver weg in mijn hart.

Ik voel bij iedere slag van jou,
trillend in de blauwe lucht,
hoe ‘t verleden verder wegzakt
en mijn heimwee harder zucht.


28 oktober 2020 – Leegte als beschikbaarheid

Welmoed Vlieger schreef vorige week een mooie column in Trouw. Te mooi om zomaar weer te vergeten. In de coronacrisis citeert ze Etty Hillesum over de stilte in ons waarin we ons kunnen terugtrekken. Zij wist dat dit geen lege stilte is, geen lege leegte, maar leegte als beschikbaarheid. Bij mij komt dan het woord bereidheid op, waarbij ik denk aan Maria. Het is de houding die past in het gebed van de gemeente: ontvankelijkheid voor de woorden, voor het gebeuren van de goede woorden van het evangelie, het is de leegte en de stilte van Maria. Hieronder het slot van de column in Trouw van 20 oktober.

In de Bijbel heeft deze stilte een bijzondere naam: JHWH. En die betekent: ik zal er zijn.
Die naam is er, altijd, eeuwig en onveranderlijk.
In die naam sterft de oude mens met zijn schijnbare zekerheden.
In die naam licht een beschikbaarheid op die ons niet over het hoofd ziet, maar die wij in alle drukte zo vaak over het hoofd zien.
Totdat tot onze verbijstering onze wereld stilstaat. Dan blijkt er ineens ruimte te zijn als uitnodiging om als nieuwe mens op weg te gaan.


18 oktober 2020 -- Moed

In zijn boek ‘Zonder de top te bereiken’ doet Paolo Cognetti verslag van een bergtocht door de Himalaya. Onderweg leest hij een boek van iemand die de tocht eerder maakte, voor in het boek staat een citaat van Rilke.

‘In feite is de enige moed die van ons wordt verlangd: het moedig zijn tegenover het vreemdste, wonderlijkste en ondoorgrondelijkste wat ons kan overkomen.’

Paul Tillich ging nog een stap verder. In de jaren vijftig van de vorige eeuw schreef hij ‘De moed om te zijn’. Volgens hem is de kern van alle moed de moed om te zijn tegenover het niet-zijn. Dat betekent een niet te beredeneren ja tegenover al het nee om je heen en in je zelf. In het boek denkt hij na over de zin van het leven. De bron van de moed om dit ja tegen het zijn, het leven, te zeggen en te leven ligt niet in een aan te wijzen zin. Dit ja zelf is de zin, dan laat je je niet meeslepen door alle zinloosheid die je ziet, maar je probeert die zinloosheid ook niet te overwinnen of te weerleggen. Je leeft, zonder grond en zonder weten van zin. Moed is vertrouwen, het vertrouwen waarmee Jezus de dood aankijkt, midden in de leegte.


20 september 2020 -- Vasalis

Vanavond in Mondo een item over Vasalis, een gesprek over haar bundel ‘Parken en woestijnen’. Vasalis schuwde de media, er zijn nauwelijks opnames van haar, maar aan het eind van het gespek kregen we een opname te horen waarin ze zelf haar gedicht ‘Onweer in het moeras’ leest. Heel bijzonder om zo haar stem eens te horen. Wie het ook wil horen kan de uitzending van Mondo bekijken, hieronder alvast het gedicht.

Onweer in het moeras

Naast het vlakke gladde meer
blauw en roze als een maansteen
staat het rechte bos van riet,
elke halm een groene speer,
elke speer staat slank alleen
met een dun vernis van licht.
Licht en schaduw bewegen niet.

In de hemel hangen zware
violet gekleurde wolken.
Niets verraadt de gele schare
vogels, die het riet bevolken.

Dan splijt met een verblindend licht
de hemel open en slaat dicht
met een donderende slag...
Als in een donkre smederij
spatten uit het rieten bos
vonkenregens vogels los
een zwerm van duizend vurige vlerken
stuift geel omhoog in 't sombere zwerk en
een ziedend hoog gezang breekt vrij.

Mijn hart werd plotsling wit en heet,
't was of ik zelf werd omgesmeed.
Ik heb het angstig ondergaan
ik kwam er sterk en nieuw vandaan.


25 augustus 2020 – Rollend licht

Janita Monna schreef afgelopen weekend in Trouw over Pierre Kemp. Ik herinner me wel eens een gedicht van hem in een dienst gebruikt te hebben, ik weet niet meer welk. Op mijn harde schijf staat in ieder geval het gedicht over het ronde en rollende licht, dat zij ook citeert. Het doet me denken aan al die keren dat ik ‘s avonds in de late avondzon even de straat uitloop en richting het oosten kijk. We wonen niet tussen bergen en dalen, maar met het licht van de lage zon zie je elke glooiing in het landschap. Ook schijnt het licht dan prachtig tegen de bosrand, alsof de bomen van onderaf verlicht worden. Ook in Drenthe kan het licht rollen. ‘Ik hoef niet te reizen, ik ken mijn eigen tuin niet eens’, zei deze dichter. Ik voel met hem mee en ik kom en ik ga, in ons eigen doodlopende straatje, om het licht te zien rollen.

Het licht is rond en rolt naar alle kanten
de bergen op en af, de dalen door,
de wezens in en uit en langs de planten
stijgt het de bomen in en gaat het alles voor.
Waarheen? Ik vraag dat niet, ik kom, ik ga,
omdat mijn handen en mijn voeten,
mijn ogen en mijn hart zo moeten
en ik het licht nu eenmaal zo versta.


4 augustus 2020 -- Erbarm dich mein

Tijdens een vakantie in Limburg liepen we de Basiliek van Sint Servaas in. In het kader van een plaatselijke traditie was daar een misviering aan de gang. We gingen even zitten en hoorden het Kyrie zingen. Het raakte me daar als de zucht van de mensheid. We hebben de mis verder niet uitgezeten, ik vind het al gauw bombastisch worden, alsof de hele viering gewicht moet geven aan mensen, zij die uitvoeren, zij die organiseren, zij die toehoren. Ook gewicht moet geven aan de kerk zoals die bestaat in alle pracht en praal. Maar dat ene Kyrie rechtvaardigde op dat moment alles, het herinnerde aan de kwetsbaarheid van het bestaan en aan de mogelijkheid daarin op te staan, te roepen om erbarmen. Een Kyrie waarnaar ik altijd weer terugkeer is het ‘Erbarm’ dich mein, o Herre Gott’ van Johann Sebastian Bach. Talloze organisten spelen het, mijn voorkeur is nog steeds de uitvoering van Marie Claire Alain, die ik in mijn studentenkamer al beluisterde. Een protestants Kyrie, sober, uit het hart, bevindelijk, wetend van de kwetsbaarheid en de open vraag.


20 juli 2020 -- Tuin

Overdag in de tuin werken, ‘s avonds lezen in ‘Tuinieren voor de geest’. Dat was een aantal weken voor mij de perfecte combinatie. Praktijk en beschouwing, iets doen wat ik heel prettig vind en door psychiater en tuinliefhebber Sue Stuart-Smith uitgelegd krijgen waarom het zo prettig is: ‘Hoe we gelukkiger worden van zaaien, wieden en snoeien’. Een boeiend boek over tal van mensen aan, op of over de rand van het bestaan, voor wie tuinieren bijzonder heilzaam bleek. Op 17 mei schreef ik over het lied van Elly Nieman, ‘De zeven tuinen’. Met een beetje fantasie zijn al die zeven tuinen wel te koppelen aan een bijbelse tuin, maar grofweg zie ik er vooral drie. De tuin van het leven in Genesis, die weer terugkomt in het laatste bijbelboek, de tuin van de liefde in het Hooglied en de tuin van de dood in het evangelie van Johannes, Getsemane. Vooral de tuin van de liefde staat dicht bij de tuinen die Sue Stuart-Smith beschrijft. De tuin waarin mensen tot leven komen in een verlangen en een ontmoeting, in een zicht op zin en vervulling, in een uitzicht op vrucht dragen en nieuw leven. En in een verzoening met kwetsbaarheid en afhankelijkheid, waarin te leven is met elkaar. In dat licht is de vergissing van Maria in de graftuin een zeer betekenisvolle. In zijn eerste verschijning wordt Jezus gezien als de tuinman. De mens die van de woeste aarde een bewoonbare plaats maakt. En dat is te zuinig gezegd, hij maakt duidelijk dat de liefde het licht voor de wereld is. De hof waarin hij Maria ontmoet is de tuin van de liefde, de tuin van het Hooglied.


7 juli 2020 -- Hobbema

In zijn boek ‘Stedevaart’ bezoekt Jan Brokken een aantal steden, die hij verbindt met een kunstenaar. Steden als Bologna, Bilbao, Düsseldorf en Amsterdam. Ik was zeer verrast toen ik in het rijtje steden ook Middelharnis zag, de plaats waar ik ben opgegroeid. Brokken kwam er vanwege Hobbema, in het bijzonder vanwege zijn schilderij ‘Het laantje van Middelharnis’. Ooit geschilderd in opdracht van een bestuurder uit de buurt, na allerlei omzwervingen terechtgekomen in het National Gallery in Londen. Brokken was al eerder in Middelharnis geweest, het is ook een persoonlijk verhaal van hoe hij daar als 11-jarige rondliep, onderweg naar Ouddorp. Dat hij, met zijn gedachte aanstaande schoonzus, de tram nam naar Ouddorp klopt niet, die reed na de ramp van ‘53 nog maar een paar jaar, tot 1956, maar het klinkt mooi in het verhaal. Ook zijn verhaal over het schilderij en de schilder is mooi, ik noem het hier als aanbeveling voor zijn boeiende boek en om het schilderij weer eens te kunnen laten zien. Het blijft een hoogtepunt in de Nederlandse landschapschilderkunst.

 

 


28 juni 2020 -- Eenling

Deze keer is het de tuin die me bij Ida Gerhardt brengt. De acanthus staat in bloei. Een jaar of wat terug een paar stekjes gekregen, nu een aantal mooie planten, waarvan er een wel heel erg de lucht ingegaan is, ‘naar het licht’. Zo staat het in het gedicht over deze plant, aangetroffen in de bergen. Er is al vaker opgemerkt dat dit gedicht ook gaat over de dichter zelf, ze zag zichzelf als eenling. Soms gezocht, soms tegen wil en dank, miskend in haar dichterschap en haar strenge en sobere leefwijze. De eerste zin getuigt niet van een vrolijke kijk op de wereld waarin we leven, toch is er onmiddellijk een tegenbeeld, ‘een onverwacht gewas’. Prachtig hoe in deze twee dichtregels het hele leven en werk van deze dichter getekend is. Elk woord is vol van betekenis. Proef het woord ‘gewas’. Alsof de schepping herhaald wordt, zo komt dus het leven op je pad, in de kaalheid en eenzaamheid, als iets dat groeit, iets volkomen nieuws. Het gedicht gaat verder in de monumentale stijl van Gerhardt, die doet denken aan de taal van Johannes in Openbaring, die zijn visioenen steeds inleidt met: ‘En ik zag...’. In de beschrijving van de plant zie ik een uitleg van de eerste twee regels van het gedicht. Het nieuwe leven kan ons zomaar overvallen, midden in de woestijn van ons alledaagse dwalen. Je moet wel eenling durven zijn, geen genoegen nemen met geruststellende dooddoeners.

De eenling

Dwalend over het barre rotsenzadel
stootte ik op een onverwacht gewas.
En ik zag dat het een akanthus was.
Zijn eigenmachtige eeuwenoude adel
had zich tot in de nerf gehandhaafd. Een
die stug de ingeschapen wet voltrok:
te breken naar het licht dwars door de steen.
Acht schachten stoelden op zijn wortelstok.
Een warse plant, met zon en maan alleen.


15 juni 2020 -- Eekhoorn

Vanuit het raam van mijn werkkamer zie ik soms een eekhoorn in de bomen. Heel soms kom ik hem tegen in de tuin. Het meest merk ik zijn aanwezigheid doordat hij mijn wandelschoen, altijd de rechter, gebruikt als voorraadkast. Een eikel waar al aan geknabbeld is of een hele voor de dag van morgen. In gedachten zie ik hem rondscharrelen onder het afdakje achter ons huis. Misschien wel samen met de mier. In de dierenverhalen van Toon Tellegen is dat heel vaak zijn gesprekspartner en metgezel. Hieronder de eerste zinnen van een verhaal waarin de mier ook weer op het toneel komt, nadat de eekhoorn een heel gesprek met zichzelf heeft gevoerd. Veel van de verhalen van Tellegen beginnen met een gedachte, een verlangen of een gevoel van een dier. De innerlijke monologen die dan volgen zijn vaak heel herkenbaar en tegelijk altijd een beetje afwijkend, zoals in dit citaat over besluiteloosheid.

‘’s Ochtends als hij wakker werd wist de eekhoorn soms niet goed wat hij denken moest van zichzelf.
Hij rekte zich dan uit en vroeg zich af: zou ik nu besluiteloos zijn? Dan dacht hij enige tijd na over de besluiteloosheid. Hij vond het een mooi woord, maar hij kon er nooit goed achterkomen wat het precies betekende. Vervolgens zei hij tegen zichzelf: ‘Eekhoorn, doe nu óf gewoon óf ongewoon óf iets nieuws óf niets óf je kleren aan.’


5 juni 2020 – Het eerste horen

In de pinksterpreek van een vriend stelt hij drie vragen die me stil zetten. ‘Wat is jouw eerste horen – waar kwam de verwarring – wie bracht de Trooster in je leven?’ Hij stelde ze naar aanleiding van de verwarring onder de mensen die getuige waren van het komen van de Geest. Mijn eerste horen. Vaak heb ik gedacht dat ik dat jammer genoeg niet meer terug kan halen. De bijbelverhalen werden met de paplepel ingegoten en zo ver gaat mijn geheugen niet. Tijdens deze pinksterpreek kwam een ander moment boven, waar ik me wel iets van herinner. Als tiener maakte ik een inleiding over een tekst, iets met Romeinen en Luther, iets over genade en vrijheid. Het was de eerste keer dat ik bewust merkte dat een bijbelwoord iets me je kan doen. Mijn eerste horen. De verwarring kwam en komt tot op de huidige dag daar waar ik merk dat het effect dat ik voelde zo weer weg kan zijn. In vrijheid gezet worden en zo weer bezig zijn met jezelf te bewijzen, waar te maken, zeker te stellen. Bij de derde vraag –wie bracht de Trooster, de Geest in je leven– denk ik aan de colleges dogmatiek die ik in Utrecht liep. Op mijn werktafel liggen de ingebonden blaadjes met aantekeningen. De eerste bladzijden zijn weg, wat ik nog heb begint midden in een college, maar alleen om de eerste zinnen al zal ik ze altijd bewaren. ‘Het wezen van de mens is dat hij aangelegd is op het ontvangen, het geschenk. Dé prestatie is al geleverd, alle verdere prestaties komen alleen in beweging door de ontvangst.’ En altijd weer komt de Geest in mijn leven, kom ik opnieuw tot leven, krijgt mijn leven kleur, door het geschenk, door het ontvangen. Het mooie van de drie vragen van mijn vriend is dat ze me niet vastzetten op een nostalgische herinnering, maar brengen bij een eerste horen dat er steeds weer opnieuw is, als bron van leven.


27 mei 2020 -- Arie J. Keijzer

‘De wortels van alle muziek’, het was het thema van Podium Witteman afgelopen zondag. Ik dacht daarbij aan Arie J. Keijzer. Mijn eerste ervaring van muziek was in de kerk. Het zingen uiteraard, maar vooral het orgelspel. En dat orgelspel werd in mijn kinderjaren in de kerk waar ik zat verzorgd door Arie J. Keijzer. Mijn tante, het culturele geweten van de familie, sprak zijn naam altijd met respect uit, maar ik wist toen niet dat ik van zondag tot zondag onder het gehoor zat van een toporganist. In die jaren, toen ik een jaar of tien was, won hij de belangrijkste improvisatieconcoursen van Nederland en al snel gaf hij les op het conservatorium in Rotterdam. Later werd hij in die stad organist van De Doelen. Als we naar de Mattheüs Passion gingen zagen we met trots ‘onze’ Arie Keijzer achter het orgel. Bij zijn orgelspel liggen dus mijn muzikale wortels. Via de orgelmuziek ben ik thuis geraakt in de klassieke muziek en ook nu nog luister ik graag naar orgelmuziek. Er zijn niet heel veel opnames van zijn spel, dat heeft hij gemeen met veel organisten van zijn generatie. Toch is er op YouTube en Spotify wel het een en ander te vinden. Zoeken op Arie J. Keijzer of Jolanda Zwoferink. Laatstgenoemde speelt veel van de composities die hij geschreven heeft voor orgel. Luister bijvoorbeeld naar zijn variaties op Psalm 18. Arie J. Keijzer wordt volgende week 88 jaar.


21 mei 2021 -- Verwondering

‘Verwondering is het begin van alle wijsheid.’ Ik hoorde deze uitspraak van Aristoteles in een dienst over verwondering. Het viel me op, omdat ik net een boek uit had waarin deze wijsgeer ook ter sprake kwam. ‘De lange weg naar huis’ van Patrick Svensson, over een vader, een zoon en de paling. Op een boeiende manier verbindt hij de relatie met zijn vader met de kennis die we hebben van de paling. Een aanrader voor wie houdt van de boeken van Frank Westerman. Svensson noemt Aristoteles als eerste onderzoeker van de paling. Het is ongelooflijk wat hij in de vierde eeuw voor Christus aan kennis vergaarde met zeer beperkte hulpmiddelen. Voor hem begon alle kennis met ervaring: kijken, kijken en nog eens kijken. Eerst zien dat iets is, dan nadenken over wat het is en vervolgens kun je er misschien achter komen waarom iets is zoals het is. We zien hier de kern van de verwondering, niet zozeer als emotie, maar veelmeer als houding. Kijken zonder te weten, je laten verrassen, waarnemen met een open blik. Zo leer je de wereld kennen, zo leer je de ander kennen, zo leer je jezelf kennen. En dat volhouden, ook als je al het een en ander geleerd hebt. Hij hield dat ook vol tegenover zijn leermeester en collega Plato, die uitging van het reële bestaan van algemene begrippen, waarmee het concrete moest kloppen. Hij wist op een zeker moment wat hij zou gaan zien, Aristoteles niet. Die bleef kijken, naar elk verschijnsel, elke beweging, in de verwondering van het niet weten. Het is de grondslag van de moderne wetenschap, maar ook de kern van een levenshouding waarin we ons verwonderen om het nieuwe van elke dag.


17 mei 2020 – De tuin van de dood

Afgelopen vrijdag gaven Elly en Rikkert hun laatste concert, nu online uiteraard. Mijn zus had een lp van hen, zo leerde ik ze kennen. In mijn studententijd haalde ik hun lp’s bij de bibliotheek, zette de muziek op cassettebandjes en beluisterde die eindeloos. De vrolijke onbezorgdheid sprak me aan, ook het onburgerlijke, we gaan lekker onze gang, ‘de politie vindt het raar, want je zit daar als een mus, zo alleen op de trottoirband’ (‘Vreemde vogels’ met een leuk filmpje van een jonge Elly En Rikkert). Maar er was ook altijd de melancholie, de heimwee naar iets wat al verloren of onbereikbaar was. Een topper was voor mij ‘De zeven tuinen’. Tot mijn verrassing zong Elly precies dit liedje in de aflevering van ‘De verwondering’ ter gelegenheid van het naderende afscheid. Wonderlijk dat ze dit liedje schreef als twintigjarige, de klank verandert natuurlijk wel in de loop van een leven. Na de tuinen van het leven, de vrede, de liefde, de geheimen, de bekoring en de stilte ziet ze de tuin van de dood opdoemen.

Nu loop ik alleen door de tuin van de stilte
met ogen vol heimwee en armen vol spijt
de zon is verdwenen, ik wacht op de morgen
maar een loodgrijze muur houdt de toekomst verborgen
de zevende tuin in het land van de tijd
ik kan er wel heen, maar mijn angst is te groot
want achter die muur wacht de tuin van de dood.

In het gesprek met Annemiek Schrijver vertelt Elly over haar overgang naar het christelijk geloof. Dat was vooral een loslaten, een overgave, een weten van genade. Daarvoor had hun gezamenlijke weg, ook hun spirituele, veel meer iets van een prestatie. ‘Nog één stap en we zijn er.’ Ik herken dit als een breuk die je ook binnen het christelijk geloof kunt meemaken. Van een voortdurend pogen aan allerlei voorwaarden te voldoen of zelfs te proberen als Jezus te worden, naar het besef dat het zo goed is, dat je al in het licht leeft. Gerechtvaardigd noemt Paulus dat en van hem is ook de term ‘met Christus gestorven’. Zelf hoor ik dat in ‘de tuin van de dood’, het einde van alle zelfbeschuldiging en zelfrechtvaardiging. Die tuin is de zevende in het land van de tijd, het is de tuin van de vrijheid en het nieuwe leven.


11 mei 2020 – 11 mei

Spreuk bij het werk

Als ik nu in dit land
maar wat alléén mag blijven,
dan zal de waterkant
het boek wel voor mij schrijven.

Dit is wat ik behoef
en hiertoe moest ik komen,
het simpele vertoef
bij dit gestadig stromen.

Het water gaat voorbij,
wiss’lend gelijk gebleven,-
en heeft stilaan in mij
een nieuw begin geschreven.

Ik weet met zekerheid,
hier vind ik vroeg of later
het woord dat mij bevrijdt
en levend is als water.

Deze dag is de geboortedag van Ida Gerhart, daarom nog eens een gedicht van haar. Het is één van haar gedichten die ik graag herlees en in me laat dalen. Vandaag is het voor mij een gedicht over het voorbijgaan van de tijd. Daarin gaat het niet over wat blijft en gebleven is, maar over het nieuwe begin dat in ons geschreven wordt. Het is de reden dat ik lees en doorlees, over veel haal ik mijn schouders op, maar soms is daar het levende woord. En dat woord doet leven, bevrijdt. Ik vier mijn eigen verjaardag, in de stilte, aan de waterkant, in het vertrouwen dat het nieuwe voor me ligt. Het is de zin van alle werk.


7 mei 2020 – De Negende

Wenen, 7 mei 1824, voor het eerst is de Negende Symfonie van Beethoven te horen. Voor het publiek althans, de componist was al enige tijd doof. Ontroerend is het verhaal dat hij gewezen moest worden op het uitzinnig enthousiasme van de mensen in de zaal, hij hoorde er niets van. Intussen wordt deze muziek gerekend tot het werelderfgoed. De melodie in de finale kent iedereen en is tegenwoordig de uitdrukking van verbinding tussen mensen. Uiteraard door de tekst, ‘Alle Menschen werden Brüder’, maar zeker ook door de opzet van de symfonie. Jan Cayers beschrijft in zijn prachtige boek over Beethoven hoe de componist in de eerste delen van de symfonie verschillende antwoorden op de vragen en de verschrikkingen van het leven verklankt en afwijst, achtereenvolgens de verhevenheid, de feeststemming en de melancholische dromerigheid. In het slotdeel laat hij nog eens de chaos en de wanhoop horen tot zijn antwoord komt: ‘O Freunde, nicht diese Töne!’. Dat is de overgang naar zijn vreugdevolle versie van een tekst van Schiller, die uiteindelijk een ode aan de vreugde om de gemeenschap met elkaar blijkt te zijn. Na de diverse aanslagen in de afgelopen jaren waren er steeds weer (deel)uitvoeringen van deze muziek. Ook in de crisis van onze tijd wordt juist deze muziek gebruikt om elkaar te begroeten en te bemoedigen. Zie bijvoorbeeld de video van het Rotterdams Philharmonisch Orkest. Hier nog een link naar een uitvoering van het slot en een link naar een complete uitvoering.

'Seid umschlungen, Millionen, diesen Kuß der ganzen Welt!’


5 mei 2020 -- Ontkomen

Ontkomen

Diep in de stilte binnengedaald -
zoals een vis
zoals een vis
binnen het water ademhaalt,
water dat adem en aanvang is.

Diep in de stilte - en vrij geraakt,
zoals een vis
zoals een vis
zwaarteloos vaart met vinnen en staart,
voelend wat water en koelte is.

Diep in de stilte eenkennig gewend
- zoals de vis
zoals de vis
enkel kent zijn element -
kennend de Ene die was en is.

‘Vrij geraakt, zoals een vis’. Je kunt nadenken en stilstaan bij bevrijding, –wie of wat bevrijdt ons-, in dit gedicht van Ida Gerhardt gaat het meer om de toestand van vrijheid. Je kijkt om je heen en je constateert de vrijheid, in eerste instantie ben je je er zelfs niet bewust van, ‘zoals een vis’. Het is zijn omgeving, zijn niet anders weten dan van die omgeving, die hem vrij maakt. Een vis verwijst bij Ida Gerhardt niet altijd naar Jezus, maar in dit gedicht is wel erg zichtbaar. In de laatste strofe gaat het niet meer over een vis, maar over de vis. Het was in de eerste eeuwen van de kerk de geheime code voor de naam Jezus, een visje op de muur werd door christenen herkend. En zoals die vis kennen wij de Ene, als vrij geraakten. Een beetje Bijbelkennis helpt vaak bij het lezen van de gedichten van Ida Gerhardt. Kennen is het bijbelse woord voor het hebben van een liefdesrelatie. Ook het woord van de titel heeft een bijbelse klank. We kennen het uit de Psalmen met als topper het hijgend hert dat aan de jacht ontkomen is. In een lied over vrijheid (Lied 946 in het Liedboek) zingt Huub Oosterhuis over ‘ontkomen aan de angst’. Dat gebeurt, of beter: dat is gebeurd, waar we in de buurt van de liefde komen, waar we komen in het bereik van het licht. Tom Naastepad schreef een lied over de hof van de liefde (Lied 629), ‘ik ben aan de greep ontkomen / van de dief, van de nacht, / sterk is de liefde’. De dichter is ontkomen, aan de zorg, aan de angst, aan het donker, en ze kijkt verwonderd om zich heen. Ze is in haar element, daar waar mensen leven en opleven. De laatste woorden van het gedicht vult de lezer die bekend is met de Bijbel als vanzelf aan: die was en die is en die komen zal (Openbaring 1). ‘Ontkomen’ is de titel van het gedicht, over hoe we zijn ontkomen, maar ook over hoe we steeds weer ontkomen. Die is en en was en komen zal. Vandaag is de dag dat Hij komt, dat het leven komt, dat wij vrij zijn. Ontkomen.


30 april 2020 -- Groet

(Dit stukje schreef ik, evenals de vorige vier, voor de website van de Protestantse Gemeente Emmen-Oost)

In september nam ik afscheid van de Protestantse Gemeente Emmen-Oost met de onsterfelijke woorden van Paulus over de liefde waar niets ons van zal scheiden. Deze weken vallen me andere woorden op van hem, die waarin hij mensen groet. Mensen die hem lief zijn, die hij eerder ontmoet heeft. Mensen die hij vaak nooit meer zal zien, maar de verbondenheid blijft. En tussen de grote woorden over genade en vrijheid en liefde kom je steeds die groet tegen. Soms zelfs eigenhandig geschreven, ‘met grote letters’. In de antwoorden op de vraag wat men in de huidige crisis vooral mist hoor je steeds over het contact met elkaar. Over de ontmoeting met vrienden en familie, maar ook over contact tussen kunstenaar en publiek, of -zoals in ons geval- tussen leden van de gemeente. Ik vond het fijn om weer even terug te zijn, in de dienst op Witte Donderdag en via deze stukjes op de website. Het is ook heel mooi als je dan iets terug hoort, ik kreeg een paar reacties per mail na de dienst op Witte Donderdag, dan ben je weer even samen. Zo groeten we elkaar, soms met een gedachte, een mooi gedicht of muziekstuk, of heel letterlijk zoals in dit stukje. Ik schreef deze stukjes met jullie in gedachten, leden van de gemeente Emmen-Oost en meelezers. Jullie krijgen nu weer een nieuwe voorganger, begroet haar, ook als er nog geen direct contact kan zijn, zoals ik jullie nu groet. Ik stop hier met de stukjes op de website, we zien elkaar zo mogelijk wel weer eens in een dienst. Op mijn eigen website, www.jandekorte.nl, schrijf ik verder, zo je wilt kun je daar zo nu en dan langs komen. Met Paulus zeg ik: een heilige kus, genade zij met jullie.


24 april 2020 -- Een waar woord

‘Ik zou een woord willen spreken / dat waar en van mij is’. Een zin uit het lied dat Huub Oosterhuis schreef voor zijn dochter Trijntje. Het verlangen om een waar woord te spreken herken ik wel, maar nog vaker heb ik er behoefte aan een waar woord te horen. Temidden van de eindeloze stroom informatie, maar ook in alle ontwijkende, toedekkende woorden. Temidden van mooipraterij in en buiten de kerk, gespeeld enthousiasme en vroom geleuter. Ik kan daar gemeen boos om worden, omdat het mensen tekort doet, opzadelt met goedkope troost en vervolgens schuldgevoel, omdat ze er niet in kunnen geloven. Een waar woord is een woord dat je grond onder de voeten geeft, een woord dat je optilt, dat je nieuw zicht geeft, dat een weg biedt. Ik vind dat woord, soms, in de preken van Meester Eckhart, in gedichten van Ida Gerhardt en Hans Andreus en vele anderen, in de Psalmen, in de brieven van Paulus, soms in een roman, zoals laatst in 'Het zoutpad' van Raynor Winn. Een waar woord is niet een waarheid als 1+1=2, maar een woord van hart tot hart. Een woord waarvan je voelt dat het klopt en dat het ook voor jou geldt. Een vindplaats is ook 'De verwondering', het wekelijkse programma van Annemiek Schrijver, waarin ze in gesprek gaat over wat de ander beweegt en op weg houdt. Ze luistert heel nauwkeurig naar haar gesprekspartner en durft in te brengen waar de woorden van de ander haar raken. Afgelopen zondag een herhaling van een ontmoeting van een paar jaar geleden. Eric Cossee was te gast. Hij vertelde over het overlijden van zijn zoon, ‘door eigen hand’, zoals hij nog niet eerder verteld had. Het afschuwelijke wordt onder woorden gebracht, ook de zwaarte van het leven met de angst en de wanhoop van deze zoon. En dan geen enkele mooipraterij. Een crisis is nergens goed voor, heeft geen bedoeling, hoef je niet dankbaar voor te zijn. Cossee bracht het verhaal mee van de Emmaüsgangers, twee leerlingen van Jezus in gesprek over zijn vreselijke sterven. Ondanks en in de crisis is er de ontmoeting, de gedeelde maaltijd, de eerste stap naar het leven in de toekomst. Als predikant kwam hij zijn gemeente weer onder ogen met de woorden van Psalm 119: ‘Ik klem mij vast aan uw getuigenissen’. Ontroerend om te zien hoe bij deze man er weer vertrouwen komt, zonder iets af te doen aan de zwaarte van wat gebeurd is. Naar ware woorden hebben we te zoeken als gemeente van Christus, om te horen en om te spreken. Dat doen we, ook in deze moeilijke tijd. Het zijn altijd woorden van opstaan uit het donker, nieuwe stappen, eerste stappen.


17 april 2020 -- Windezucht

Het is zo stil
zo stil nu buiten
en geen geluid dan ‘t vogelfluiten
doortrilt de lucht
de wolken zijn zo strak gestreken
dat zij in zilver zouden breken
bij windezucht.

Zo begint een gedicht van Hans Lodeizen. ‘Het is zo stil / zo stil nu buiten’. Eerder zochten we die stilte wel, nu is de stilte ons opgedrongen. Van buiten geen geluid dan de klep van de brievenbus en het signaal van onze telefoon, als die geluiden er al zijn. Regelmatig komt me een naam of een gezicht in gedachten, van de ontmoetingen en bezoeken in Emmen-Oost. Ik zie jullie in jullie woon- en ziekenkamers. Stil is het, buiten en binnen. ‘De wolken zijn zo strak gestreken’, soms staan we zelf strak van de stilte die spanning oproept, de spanning van het gebrek aan contact, de spanning van de eenzaamheid. Ik hoorde het gedicht van Hans Lodeizen in het mooie programma Passaggio van Lex Bohlmeyer, elke werkdag ‘s avonds om zeven uur op Radio 4. Ik schreef het op zoals ik het hoorde.

Namiddagliedje

Het is zo stil
zo stil nu buiten
en geen geluid dan ‘t vogelfluiten
doortrilt de lucht
de wolken zijn zo strak gestreken
dat zij in zilver zouden breken
bij windezucht.

Dan zou het goud der zonnestralen
de witte wolken achterhalen
en heen doen gaan
en kregen bij het nieuwe licht
de dingen weer een nieuw gezicht
een nieuw bestaan.

Het is zo stil
zo stil nu buiten
en geen geluid dan ‘t vogelfluiten
doortrilt de lucht
de wolken zijn zo strak gestreken
dat zij in zilver zouden breken
bij windezucht.

Zeker in onze omstandigheden klinkt in het middendeel een hoop en verwachting. Een hoop op het doorbreken van de stilte, van de strak gestreken wolken, van de spanning waarin we leven. Het is ook een constatering: er is niets voor nodig dan windezucht. Het doet me denken aan de Geest boven het water, de engel boven het badwater van Bethesda. Een rimpeling in het water die genezing brengt. Ook aan het lied dat ik graag met de gemeente samen zing, ‘Raak mij aan met uw adem’. Maar ook aan het geluid van de brievenbus en de telefoon, aan de bloeiende plant in de vensterbank, aan de tekening van mijn kleinzoon. Het is allemaal windezucht, let even goed op, want het is zo voorbij en je kunt er heel gemakkelijk overheen leven. Maar de dingen kunnen er een nieuw gezicht, een nieuw bestaan van krijgen. De dingen, onze dagen, de beslotenheid van onze huizen en kamers, onze verhouding met onszelf en de anderen. Je kunt er om vragen, om windezucht: ‘Kom en doorstraal mijn dagen, / Geest van God uitgegaan, / die mijn ogen opent / voor wie nu naast mij staan.’ Lees het gedicht nog eens en wees stil, laat je desgewenst helpen door Beethoven, verstil en voel de windezucht.


10 april 2020 -- ‘Wohl mir’

In de dienst op Witte Donderdag hoorden we het lied dat Bach gebruikt in cantate 147.

Wohl mir dass Ich Jesum habe,
o wie feste halt ich ihn.
Dass er mir mein Herze labe,
wenn ich krank und traurig bin.

Jesum hab Ich, der mich liebet
und sich mir zu eigen gibet ,
ach drum lass Ich Jesum nicht,
wenn mir gleich mein Herze bricht.

Een op jezelf gerichte zaligspreking noemde ik het in de dienst, waarin ik mediteerde bij de eerste regel van dit lied. We prijzen ons gelukkig dat we Jezus hebben, dat is de samenkomst van de christelijke gemeente. Ik noemde drie aspecten van dit geluk. In de eerste plaats zijn we blij met Jezus, omdat hij ons uit ons verhaal van de dagelijkse feiten haalt. Je blik wordt ruimer, je krijgt oog voor de breedte, de hoogte en diepte van het leven, dat niet lotmatig bepaald wordt door wat er in de wereld gebeurt. In de tweede plaats noemde ik de inhoud van het verhaal van Jezus, het brengt ons bij het wezenlijke, het herinnert ons aan de liefde, de trouw, de gemeenschap en verbondenheid. De liefde aan ons en de liefde van ons. Ook dat laatste, ‘wel mij’, dat ik kan geven. Ook vanuit de isolatie en de eenzaamheid, in gedachte en gebed gericht op de ander, in een gebaar, groter of kleiner, een kaartje, een telefoontje, een dienst. Tenslotte noemde ik een aspect dat juist op Witte Donderdag naar voren komt. Voor Jezus is er geen grens aan deze liefde en trouw, gemeenschap en verbondenheid. Op de dag voor zijn sterven, op het moment dat het verraad aan de orde komt, richt hij een maaltijd aan, een maaltijd van ontvangen en geven. Dat is de maaltijd die we ook in deze dienst gevierd hebben, brood en wijn, breken en delen. En we zongen de lofzang, met Jezus en zijn leerlingen. We prijzen ons gelukkig dat we Jezus hebben, zelfs als ons hart breekt. De dienst is hier terug te zien.


3 april 2020 -- Hoeder van het huis

‘Ook papa kan de hoeder van het huis zijn’. Een kop in de krant van 2 april. We hoeven elkaar niet uit te leggen waar het artikel over gaat, we leren snel in deze weken. Hoeder van het huis, ook papa, zoals mama het meestal was in de traditionele rolverdeling. Onze bewegingsruimte is klein geworden, we kunnen minder weg en krijgen minder of geen bezoek. Dan wordt onze woonruimte nog belangrijker, daarom trof me het woord hoeden in de krantenkop. Hoeder van het huis zijn, iets om je in deze dagen op te concentreren. Zelf ben ik, zoals zovelen, gaan klussen, er was nog een kamer te schilderen. Maar het kan op vele manieren, hoeder van het huis zijn, zorg dragen voor de ruimte waarin je woont, alleen of samen. Ik dacht bij de woorden in de krant aan een gedicht van Ida Gerhardt. Ze leest daarin een oude grafsteen, een monument uit de Griekse oudheid.

Archaïsche grafsteen

In het verscholen thijmdal,
domein der honingbijen,
de dodensteen, de stèlè.
'Metoon wijdt deze grafsteen
aan zijn verkoren Aktè,
de moeder zijner zonen,
die stierf, oud twintig jaren.
Zij heeft het brood gebakken,
zij heeft de wol gesponnen,
het huis in stand gehouden.'
De wind beweegt, de bijen
zoemen de stilte stiller;
zij arbeiden, zij fluisteren:
'het huis in stand gehouden,
het huis in stand gehouden.'

Hier een moeder, als hoeder van het huis. Ze heeft van alles gedaan in haar korte leven, de dichter hoort de bijen het wezenlijke zoemen: ‘zij heeft het huis in stand gehouden’. Een virus overspoelt de wereld en ontregelt ons leven. We kunnen er niets aan doen dan de adviezen opvolgen en afwachten. Intussen kunnen we ons spiegelen aan Aktè: ‘zij heeft het huis in stand gehouden’. We horen van eenzaamheid, verveling, wanhoop, huiselijk geweld, maar ook van tegenbewegingen. Ik noemde mijn klussen als voorbeeld, anderen pakken oude hobby’s of cursussen op of gaan opruimen. Je kunt ook eenvoudig vanuit je stoel om je heen kijken, zien wat je hebt en daar bij stil staan. Oude foto’s oppakken, in gedachten stil staan bij wat je lief is. Zo hoed je je huis, als plaats van leven en vrede, als ruimte van dankbaarheid, als basis om te ontvangen en te geven. En luister naar muziek die je mooi vindt, bijvoorbeeld de Cantique de Jean Racine van Fauré.